vrijdag 21 november 2014

Gratis geld bestaat niet (herziene uitgave)

Dit is een herziene uitgave van mijn eerdere essay inzake het zogenaamde basisinkomen. Naar aanleiding van dat kritische artikel, hier gepubliceerd op 1 Augustus 2014, heb ik meerdere reacties ontvangen van diverse voorstanders van (een vorm van) het basisinkomen. Sommige van die reacties bleken te berusten op incorrecte aannames, of waren gewoon niet inhoudelijk (want puur op de onderbuik gebaseerd). Een aantal reacties was echter inhoudelijk sterk. Daarom heb ik mijn analyse uitgebreid om eigenlijk alle punten te behandelen die in de discussie ter sprake zijn gekomen.

Het is mijn streven geweest om het idee van een basisinkomen te overwegen met een open geest. Desondanks kan ik niet stellen dat mijn eindconclusie fundamenteel is gewijzigd: gratis geld bestaat simpelweg niet. Er zijn overtuigende sociale en economische redenen om het basisinkomen af te wijzen. In dit essay worden de mogelijkheden van een basisinkomen afgewogen tegen de nadelen en de risico's. Die laatste categorie, zo zal blijken, weegt uiteindelijk toch zwaarder.

Nota Bene: alle mogelijkheden die worden onderzocht in deze tekst zijn gebaseerd op de situatie in Nederland, en de cijfers zijn ontleend aan de overheidsbegroting voor 2015. Ik heb bewust gekozen om de meest recente cijfers te benutten in deze uitgave van dit essay.




GRATIS GELD BESTAAT NIET


Steeds vaker hoor je het langskomen: het idee van het onvoorwaardelijke basisinkomen. Het is beslist niet nieuw, maar het steekt de afgelopen maanden met toenemende frequentie de kop op. Voorstanders van het onvoorwaardelijke basisinkomen beweren al decennia dat hun plan het wondermiddel is dat de verzorgingsstaat radicaal gaat hervormen. De strekking is kinderlijk eenvoudig: gratis geld voor iedereen. Het komt er op neer dat alle huidige voorwaardelijke uitkeringen en andere sociale voorzieningen worden afgeschaft. In plaats daarvan gebruikt de overheid de enorme bak belastinggeld die nu naar al die regelingen gaat om iedere maand standaard een vast bedrag op de rekening van iedere Nederlander te storten. Dat maandelijks bedrag, het basisinkomen, is onvoorwaardelijk. Hoe weinig of hoe veel je ook verdient, wat je situatie ook is, je krijgt het hoe dan ook.

Dat klinkt nogal utopisch, en het plan komt dan ook uit een nogal utopistische hoek. In de jaren ’90 was een enthousiaste club pleitbezorgers—die vooral bestond uit doorgewinterde socialisten en enkele zweverige academici—er flink mee bezig, en kwam het af en toe in het nieuws. Destijds had de politiek weinig interesse. Enkele liberale politici voelden wel wat voor een onderzoekje naar zo’n idee, maar die dachten aan een basisinkomen van misschien eens honderd gulden per maand. De activisten van de Vereniging Basisinkomen dachten eerder aan een “leefloon” van een paar duizend gulden, en daar had de politiek geen behoefte aan.

Maar nu is het idee opeens terug. Niet alleen in Nederland, maar op veel plaatsen in de Westerse wereld. De afgelopen maanden steekt het basisinkomen met toenemende frequentie de kop op. In links-liberale, progressieve kringen zijn steeds meer voorstanders te vinden. De jongerenbewegingen van GroenLinks en D66 zijn uitgesproken voorstanders. Ook de internetactivisten van de PiratenPartij vinden het een aantrekkelijk idee. Inmiddels heeft D66 zelf aangekondigd dat de partij een onderzoek naar het basisinkomen zeker ziet zitten. Een dooie mus van twintig jaar geleden blijkt opeens weer springlevend.

vrijdag 19 september 2014

Arm Schotland, waar de angst regeert

Wanneer de angst regeert, is een land verloren. Zo blijkt maar weer eens, nu een meerderheid van de Schotten uit angst en onzekerheid en onzekerheid hebben besloten om de moedige sprong niet te wagen. Zelfstandigheid vereist moed en eer, en door eeuwen onderwerping is dat er bij de ooit zo fiere Schotten blijkbaar flink uitgestampt.

Schotland blijft een onderdeel van het VK, en blijft intern verdeeld. Angst en onzekerheid, waar hoop en durf het land naar een betere toekomst hadden kunnen brengen. Heel jammer, en niet alleen voor de Schotten zelf. Op de lange termijn zullen die spijt krijgen van hun beslissing, maar de Engelsen zal het nog méér spijten, omdat Schotland binnen het VK nooit trots op eigen benen zal leren staan. Het zal, net als Wallonië of Groningen, bovengemiddeld veel aanspraak maken op sociale zekerheid... en consequent socialistisch gezind zijn. En dat zal zo blijven. Ook als de olie op is. Het linkse Schotland zal dan snel een loden last zijn voor het meer marktgerichte Engeland.

donderdag 21 augustus 2014

De grote vrijheid van het Gemenebest IJsland



De vrijwillige samenleving in de praktijk

De voorstanders van overheidsmacht, die variëren van totalitaire collectivisten tot pleitbezorgers van de minimale nachtwakersstaat, vinden zich verenigd in hun afwijzing van een volledig vrije en vrijwillige samenleving. Het voluntaristische ideaal van een maatschappij waarin alle interacties tussen mensen berusten op de vrijwillige instemming van alle betrokkenen heeft volgens deze critici nog nooit bestaan. Om te beginnen is een dergelijke argumentatie als discussietactiek intellectueel oneerlijk: een idee dat nog nooit eerder is uitgevoerd kan geen praktijkvoorbeelden tonen. Betekent dit dat het dus nooit uitgevoerd mag worden? Men mag aannemen dat voor alles een eerste keer bestaat, en dat innovatie de bron van alle vooruitgang is.

Daarnaast is de stelling dat het voluntarisme (ook wel: anarchokapitalisme) nooit heeft bestaan simpelweg incorrect. Het heeft op lokale schaal regelmatig bestaan, over de hele wereld, de afgelopen 6000 jaar. Het bleek consequent goed en vreedzaam te functioneren, maar juist de kleinschaligheid maakte de voluntaire gemeenschappen kwetsbaar voor verovering en onderwerping door minder vrijheidslievende entiteiten. Deze zwakte tegenover agressie van buitenaf bleek keer op keer de doodssteek voor kleine voluntaristische communes. Dat deze zwakte puur voortkwam uit de kleine schaal van dergelijke gemeenschappen, en niet te maken had met hun vrijwillige organisatievorm, wordt afdoende bewezen door het feit dat kleine gemeenschappen die zich wel van een overheid bedienen óók kwetsbaar bleven voor verovering.

Nog overtuigender bewijs dat een voluntaristische samenleving op grotere schaal veel minder kwetsbaar zou zijn voor verovering van buitenaf wordt echter geleverd door de geschiedenis. Om precies te zijn door het simpele feit dat het voluntarisme de basis geweest van een gehele samenleving, die 392 jaar lang heeft bestaan. Het Gemenebest IJsland heeft in de middeleeuwen, in een periode dat de rest van Europa voortdurend werd verscheurd door oorlogen tussen allerlei overheden, in vrede en welvaart kunnen bestaan. Zonder leger. Zonder politie. Zonder wetboek. Zonder dat er ook maar een cent belasting naar een overheid ging. (Ter vergelijking: de Verenigde Staten van Amerika bestaan pas 238 jaar. Het zou nogal gewaagd zijn om een samenleving die het 154 jaar langer volhield zomaar af te serveren als een soort “experiment”.)

De enige reden dat het Gemenebest uiteindelijk ophield te bestaan is, interessant genoeg, dat men de vergissing had gemaakt bepaalde regels in te voeren, die als wetten werden gezien, en dat men na de Kerstening afdrachten was gaan betalen aan de Kerk. Niet de absentie van wetten en belastingen waren het probleem, maar de sluipende invoering ervan via de achterdeur. Dit artikel zal pogen een beeld te geven van de geschiedenis van het Gemenebest, van de vrije en ongedwongen maatschappij die daar bestond, en van de verkeerde inschattingen die tot de ondergang van dat systeem hebben geleid. De inzichten die daaruit voorkomen zullen van groot belang zijn bij enige poging om vandaag de dag een vrije maatschappij in te richten.

vrijdag 1 augustus 2014

Gratis geld bestaat niet

Op deze pagina bevond zich de eerste uitgave van het essay "Gratis geld bestaat niet". Die eerste versie is inmiddels verouderd, omdat er een herziene uitgave is. Deze kunt u hier vinden.

zaterdag 29 juni 2013

De zekerheid van goud


Aurum per medios ire satellites
Et perrumpere amat saxa potentius
Ictu fulmineo.

“Goud passeert met gemak oplettende wachters
en geniet ervan om zelfs de hardste steen te doorbreken
met de kracht van een donderslag.”

— Horatius, Ode III.16, regel 12



Dit artikel is opgedragen aan Brecht Arnaert, die er ongetwijfeld veel van zijn eigen inzichten in zal herkennen. Ik schrijf dit met dankbaarheid voor onze vele gedachtewisselingen, en met de wens dat er nog veel meer mogen volgen.



De economie verkeert in zwaar weer, en alleen de zekerheid van goud kan ons veilig door de storm brengen. Nu is een terugkeer naar de gouden standaard vandaag de dag beslist geen breed gedragen idee onder economen, maar toch is het precies wat we eigenlijk nodig hebben.

De veelgehoorde afkeer van een gouden standaard berust op aannames, dogma’s en een gebrek aan economische kennis. Steevast beweren de volgelingen van John Maynard Keynes dat herstel van de gouden standaard ons verschrikkelijk onheil zou brengen. Hun grote voorganger was immers tegen de gouden standaard, en ook vandaag slikken Keynesianen dat verhaal als zoete koek. Ze laten geen kans voorbij gaan om goud te besmeuren met hun venijnige kritiek, maar ze hebben het fout.

Het onheil dat ze zo zeggen te vrezen is hier al, en het is juist ontstaan omdat we de gouden standaard verlaten hebben. Hun probleem is dat ze hun held, Keynes, zien als een economisch genie. In realiteit was hij helemaal geen econoom, maar een ideoloog. En al veel te lang hebben wij geluisterd naar zijn ideologisch gemotiveerde vooroordelen. Al veel te lang betalen wij daarvoor een hoge prijs. Tijd om het goud eens op te poetsen, want onder het vuil van de Keynesiaanse dogma’s blinkt het nog steeds.

woensdag 12 juni 2013

Amerika werd groot als libertarische samenleving


Als libertariër, en dus pleitbezorger van zo min mogelijk overheid, moet ik maar al te vaak horen hoe onrealistisch dat denkbeeld zou zijn. “Een libertarische samenleving heeft nooit bestaan,” heet het dan.

Die triomfantelijke dooddoener zou moeten aantonen dat de maatschappij niet kan bestaan zonder een grote en zorgzame overheid. Ten eerste is dit niet bepaald een geldig argument: dat iets niet eerder heeft bestaan betekent geenszins dat het nooit kan bestaan. Als dat immers het geval was, dan leefden wij nog in grotten, gehuld in dierenvellen.

Ten tweede, en wellicht nog veel belangrijker: de uitspraak klopt gewoon niet. Er hebben diverse libertarische samenlevingen bestaan in de menselijke geschiedenis. Samenlevingen met een minimale overheid en maximale persoonlijke vrijheid. Niet alleen hebben ze bestaan: ze bleken keer op keer extreem succesvol.

donderdag 6 juni 2013

De crisis te lijf: een geschiedenisles

De economische malaise wordt op een totaal verkeerde manier aangepakt. We moeten leren van fouten uit het verleden, en het ditmaal beter doen.

Hoe gaat men een crisis te lijf? Laten we kijken naar het verleden, naar de Grote Depressie van de jaren dertig, want daar ligt het antwoord. Wel moeten we er eerst een dikke laag sociaaldemocratische onzin van afvegen. Want maar al te vaak mogen we aanhoren dat het progressieve beleid van Franklin Delano Roosevelt, gecombineerd met de “economische stimulans” van de Tweede Wereldoorlog, er voor zorgde dat de VS en de wereld uit de depressie werden getild.

De waarheid is exact het tegenovergestelde: de New Deal heeft een crisis die snel voorbij had kunnen zijn veranderd in een depressie die de wereld jarenlang heeft geteisterd (en de opkomst van Hitler mogelijk heeft gemaakt). De oorlog heeft de misère alleen maar erger gemaakt.

zondag 31 maart 2013

Pasen? Ooster!

Net als de meeste Christelijke feesten is Pasen voor een groot deel een amalgaam van oudere tradities, die de Christenen hebben overgenomen van andere geloven. Er is niet heel veel authentieks aan: net als het gehele Christendom is het paasfeest een toonbeeld van een over de jaren bijeengeraapte mythologie, ontdaan van de wortels. Daardoor mist het nu toch echt iets: als een fraai bos bloemen, dat wellicht mooi op tafel staat, maar waarvan de stengels niet meer met de aarde zijn verbonden. Vergeef me derhalve, maar ik wens u geen zalig Pasen. In plaats daarvan beroep ik mij op een oudere traditie: ik wens u een gelukzalig Ooster.

Dat woord herkent u wellicht aan de hand van de Engelse naam van Pasen: Easter. Het is een pre-Christelijke term, die verwijst naar de Germaanse godin Ôstara. In de Angelsaksische talen, de voorlopers van het Engels, heette zij Ēostre of Ēastre. Dat deze naam op de woorden “oosten” en “east” lijkt is niet toevallig: haar feest was het lentefeest, de viering van het nieuwe licht. En iedereen weet dat de zon, bron van al het licht, opkomt in het oosten. De woorden Ôstara, Easter, oosten etc. zijn hoogstwaarschijnlijk allemaal afgeleid van het Proto-Indo-Europese woord voor zonsopkomst, Ausṓs.

Dergelijke lentefeesten zijn heel oud, net als het archetype van de lentegodin. Bijna alle Indo-Europese culturen hebben een dergelijke traditie, en de Christenen hebben de datum van hun feestje gewoon aangepast om daar mee samen te vallen (op dezelfde manier dat ze hun kerstfeest bewust lieten samenvallen met de midwinterviering). In het Engels hebben ze, zoals wel blijkt, zelfs de naam niet eens aangepast.

Dus nee, met dat Christelijke feestgebeuren heb ik toch wat minder. Hun interpretatie van het lentefeest mogen ze zelf houden. Ik gun iedereen dat van harte. Ik betreur enkel wel dat ze hun religie met grof geweld hebben opgelegd aan mijn voorouders. Het gevolg is dat veel te weinig mensen nog kennis hebben van de prachtige en rijke Germaanse cultuur. Maar u heeft nog tijd: het Germanen deelden het jaar in twee seizoenen, zomer en winter. Het begin van de zomer werd gevierd gedurende de maand april—het daadwerkelijke begin van de zomer was op de eerste mei.

Dit hebben de Christenen ook overgenomen, althans in Duitsland, door de nacht van 30 april op één mei te portretteren als een heksennacht—Walpurgissnacht. Dat grijpt terug op het Germaanse geloof dat zomer de tijd van leven en licht is, en winter de tijd van dood en duisternis. Op de laatste nacht vóór de zomer kon de duisternis nog één keer om zich heen grijpen. (Overigens ligt het aantal ongelukken en sterfgevallen in de laatste dagen van april inderdaad onevenredig hoog, en daar is nooit een verklaring voor gevonden.)

De Germanen namen in ieder geval het zekere voor het onzekere: gedurende april hielden ze feesten ter ere van Ôstara. De maand die wij april noemen heette zelfs Ôstarmânoth: de maand van Ôstara. Door deze godin van licht en leven te eren wilde men het duister bezweren, zodat de zomer kon aanbreken. In de laatste nacht van de wintertijd werden grote vuren ontstoken, die de hele nacht bleven branden, en zo werd de duisternis op afstand gehouden. In het noorden en oosten van ons land zien we die traditie nog terug in de paasvuren.

In ieder geval: ik ben er wellicht nogal vroeg mee, maar ik wens u alvast een gelukkig Oosterfeest, en een lange, warme zomer. Bij mij zal het vuur branden, op de laatste nacht vóór de tijd van zomer. Bij u ook? Ik hoop het van harte: laten we ons niet helemaal doodstaren op de gekerstende cultuurvormen van onze beschaving, en ook wat meer oog hebben voor de aloude Germaanse elementen, die beslist nog aanwezig zijn.

---

De discussiedraad op Facebook over dit artikel bevindt zich hier.

woensdag 20 maart 2013

Het nieuwe nationalisme

De Eurofielen beweren voortdurend dat het nationalisme eng en gevaarlijk is. Is dat wel zo? In het verleden is het nationalisme weliswaar misbruikt voor wandaden, maar nu kan het juist onze redding zijn.

zaterdag 23 februari 2013

Nederland is een republiek


Tegenstanders van de Nederlandse monarchie, waartoe u ondergetekende mag rekenen, stellen dat ons land een republiek zou moeten worden. Het geval wil echter dat Nederland al een republiek is. De monarchie die ons sedert 1813 opgedrongen wordt is vanaf dag één onwettig geweest, en heeft geen enkel bestaansrecht. De monarchale ambities van de Oranjes zijn net zo abject als de Franse overheersing die ons daarvóór op het bord werd gesmeten.

woensdag 20 februari 2013

Hoe krijgen we het spoor terug op de rails?

Afgelopen zondag schreef ik een kritisch artikel over de NS. Mijn ongenoegen ontmoette bijkans universele herkenning en weerklank. Maar wat zijn mijn oplossingen? Ik kreeg die vraag meer dan eens – en terecht! Iedereen met een gedegen observatievermogen, een bruikbare woordenschat en een pen of toetsenbord kan een bijtende kritiek schrijven. Zelf bruikbare suggesties bieden voor verbetering is stukken lastiger. De reden waarom ik die zondag achterwege liet was simpelweg het feit dat ik de kritiek voor iedereen leesbaar wilde houden. Dus ook voor mensen die mijn oplossingen wellicht afwijzen. Hierbij alsnog mijn visie op de vraag, hoe wij het spoor weer op de rails kunnen krijgen.

De oplossing die men hoort vanuit linkse hoek is “hernationalisering” van de NS en ProRail. Dat is niet alleen onverstandig, het is zelfs onmogelijk – om iets te nationaliseren moet het eerst geprivatiseerd zijn, en dat zijn deze “bedrijven” niet. Het zijn staatsbedrijven: de overheid is nog immer eigenaar van de hele tent. We hebben te maken met een nep-privatisering. Een truc. Iedere keer dat er iets misgaat kan men nu roepen “dat komt door die nare privatisering!” terwijl de overheid in het geniep nog altijd de baas is op het spoor.

Nee, de oplossing ligt niet in méér van hetzelfde – méér overheid – maar juist in echte privatisering. De NS en ProRail worden op dit moment zwaar gesubsidieerd door Vadertje Staat (met 3,3 miljard per jaar) en hebben feitelijk geen concurrentie. Op enkele tracés worden private aanbieders toegelaten, en die doen het dikwijls beter dan de NS, maar dat is vaak ergens in een uithoek van het land. Overal waar het echt telt zorgt de NS er wel voor dat ze haar monopolie behoudt. Bovendien wordt het concurrenten onmogelijk gemaakt om te concurreren: ze mogen met hun prijzen niet “te ver” onder de NS-prijzen gaan zitten, en onlangs stelde de NS zelfs voor om overal één verplicht tarief op te leggen (namelijk het NS-tarief).

Dat is geen privatisering, dat is socialisme met een fopneus. En het zal niet verbeteren totdat NS en ProRail de tucht van de markt voelen, door ongehinderde concurrentie en een einde aan alle overheidssubsidies. Dan pas, en geen seconde eerder, worden de problemen opgelost die nu blijven etteren in een bedrijfscultuur die is doordrenkt van bureaucratisme en de typische arrogantie van een monopolist.

Wat zijn tenslotte de echte problemen? Het primaire probleem is een mate van chaotische complexiteit die enkel ontstaat als slordigheid niet wordt gestraft door het vertrek van de klant richting concurrent. Er is immers geen concurrent. De NS en ProRail hebben talloze technocratische plannen en vernieuwingen op elkaar gestapeld, jaar na jaar, en nu lijkt zowel hun bestuurlijke model als hun infrastructuur vooral op de rommelzolder van een enigszins gestoorde oudtante met een neiging om ieder prul te bewaren.

In theorie moest het leven voor de klant “gemakkelijk” gemaakt worden, dus zijn er allemaal ingenieuze schema’s en constructies ontworpen om te zorgen dat aansluitende treinen waar mogelijk stil komen te staan op perrons naast elkaar. Leuk, maar dat vereist eindeloos veel wissels en bijzonder onoverzichtelijke planning om te zorgen dat treinen elkaar niet raken. Enorm arbeidsintensief, en daar komt nog bij dat die wissels kwetsbaar zijn – zowel voor beschadigingen als voor weersomstandigheden. Waarom denkt u dat andere landen minder last hebben van winterweer? Ze hebben een minder complex schema van aankomst en vertrek, en ze hebben minder wissels.

In de praktijk is deze hele gang van zaken niet bepaald klantvriendelijk. Het is een technocratenoplossing voor een denkbeeldig probleem. Echte service naar de klanten is er niet; niemand bij de NS heeft de klant ooit gevraagd wat die wilde. Men dacht het wel te weten, en bedacht een “oplossing”. De klant kan nu lekker overstappen van perron 1 naar perron 2, maar van begin herfst tot in de lente is er voortdurend ellende op het spoor. In de zomer ben je ook niet veilig, want dan hebben die talloze wissels last van de hitte! Komt nog eens bij dat het proces enorm arbeidsintensief is – er zijn erg veel mensen nodig om al die wissels en processen in de gaten te houden – en daarom ook erg dúúr.

Ik weet zeker dat de gemiddelde klant liever wat vaker van perron 2 naar perron 10 loopt, als dat al die ellende oplost en zijn kaartje ook nog eens goedkoper maakt. En geloof me; ik kan garanderen dat dit mogelijk is. Want het alternatief dat ik beschrijf bestáát, en het is géén staatsbedrijf. In Japan heeft men de hele bende begin jaren ’80 geprivatiseerd, en vervolgens is de aanpak die ik voorstel daar gehanteerd. De drukte op het spoor is daar vergelijkbaar met de situatie in ons land, dus het biedt een mooi perspectief. Er zijn daar geen onnodige wissels. Het spoor bestaat zo veel mogelijk uit aaneengesloten rails. Er is niet één aanbieder, maar meerdere concessiehouders. Bij de stop op een station op de grens van twee concessiegebieden stapt de ene bemanning uit, de andere in – en de trein rijdt verder zonder vertraging. Ook tijdens een sneeuwstorm rijden alle treinen, zonder significante vertraging.

Het Japanse spoor is niet perfect, dat beweer ik niet, maar dat heeft voornamelijk met de Japanse mentaliteit te maken: ze willen dat het efficiënt is. De burger daar maalt geen moment om klantvriendelijkheid of gemak. Als het maar snel en effectief is. Dus dat levert de aanbieder. De prioriteiten in Nederland liggen anders. Wij bekommeren ons er om als mensen met veel bagage (of ouderen, of gehandicapten) van perron 2 naar perron 8 moeten lopen. Maar daar is geen complexe technocratenoplossing voor nodig! We kunnen op grote stations van die loopbanden aanleggen, zodat mensen die dat nodig hebben dáár op kunnen staan. Uiteindelijk goedkoper en gemakkelijker. Zo’n oplossing verzint een aanbieder op de vrije markt. De NS bedenkt dat in geen honderd jaar.

Dat is mijn voorstel: de Japanse aanpak, met een Nederlandse insteek. Efficiency en klantvriendelijkheid, hand in hand. Het is niet moeilijk. Je moet alleen even buiten de hokjes van een fantasieloos staatsbedrijf durven kijken. Waar wachten we op? Splits de NS in meerdere delen, en verkoop de hele tent per concessiegebied aan een marktpartij. Breng zowel spoor als stations zonder uitzondering onder bij ProRail, knikker daar de directie er uit, en verkoop dat óók aan een marktpartij. Dan kan dat bedrijf zorgen voor een efficiënt spoor en klantvriendelijke stations, en diverse exploitanten kunnen op dat spoor treindiensten aanbieden.

Dit alles natuurlijk geheel geregeld door de vrije markt, zonder bemoeienis van de overheid. Er komt geen cent subsidie meer bij kijken; die 3,3 miljard gebruiken we om de belastingen op autogebruik te verlagen. Voor wie denkt dat de prijzen op het spoor dan stijgen: in Japan is de prijs van het treinkaartje sinds de privatisering begin jaren ’80 niet meer gestegen (behoudens inflatiecorrectie). De vrije markt, anders dan logge staatsbedrijven, levert wat de mensen willen, en voor een redelijke prijs. Nogmaals: waar wachten we op? Privatiseer die bende! Dan krijg je het spoor weer terug op de rails!

zondag 17 februari 2013

Het eindeloze geklungel van de NS

De NS, vooralsnog een slecht georganiseerd staatsbedrijf in alles behalve naam, blijkt jaar na jaar te falen. Verbetering is niet in zicht, arrogantie des te meer. Zodra de R in de maand is, komt alles knarsend en piepend tot stilstand op het spoor. Van de vroegste herfst tot aan het voorjaar is er op ieder moment wel ergens ellende. Jaar na jaar na jaar. De NS blijkt niet in staat om hier de nodige lessen uit te trekken. Ze worden enkel steeds bekwamer in het ontkennen van problemen en het afschuiven van schuld.

Van de week liet de NS de treinen alwéér volgens een beperkte dienstregeling rijden. Anders zou alles spaaklopen door de sneeuwval. Het is al de elfde keer deze winter. De incidenten in het najaar (dan is steevast het spoor te nat, liggen er blaadjes op de rails… nee, echt, dat zijn de excuses!) rekenen we maar even niet mee. De NS garandeert het land dat het allemaal echt niet anders kan: het is om te voorkomen dat bij vertragingen het spoorwegennet helemaal vastloopt – zegt men bij de NS. Bovendien moet de reiziger niet overdrijven, zo verklaart NS-topman Bert Meerstadt: “deze winter, waarin we meer dan tien grote sneeuwbuien hebben gehad, houdt de dienstregeling zich beduidend beter dan in de jaren ervoor.”

Meer dan tien grote sneeuwbuien. Ja. Elf, om precies te zijn. En elf van de elf keer ging de NS keihard onderuit. Als meneer Meerstadt dáár ook maar iets positiefs in kan zien, dan vermoed ik dat hij rijp is voor opname in een gesticht. Waandenkbeelden van zeer ernstige aard. De werkelijkheid zal wat cynischer zijn: Meerstadt liegt gewoon dat het gedrukt staat. Creatief omgaan met de waarheid is hem sowieso niet vreemd. Zo beweerde hij eerder deze week ook dat 80 procent van de treinen gewoon rijdt.

Dat is ver bezijden de waarheid: op 80 procent van de trajecten wordt gereden, maar dat zijn vooral de trajecten die minder bezet zijn. Op de drukke trajecten, waar het overgrote deel van het passagiersverkeer op het spoor plaatsvindt, dáár worden bij sneeuw minimaal de helft van de treinen van het spoor gehaald. Deze winter, zoals gezegd, al elf keer. Zelfs als we begin december als begin van de winter hanteren (nogal ruim genomen, dus) duurt de winter tot nu toe elf weken! Gemiddeld faalt de NS dus wekelijks, en dat zijn enkel de grote missers. Op ieder tijdstip, vanaf begin december tot nu, is er wel ergens in het land iets mis. Dagelijks.

Desondanks heeft de directie van de NS zich in het hoofd weten te halen om onlang te melden dat “heel Europa jaloers is op de Nederlandse winterdienstregeling”. Dit moet een tot nu toe onbekende betekenis van het woord jaloezie zijn. Die zo veel betekent als “heel Europa lacht ons uit”. En als ze dat niet deden vóór die absurde uitspraak (wederom bij monde van de heer Meerstadt, overigens); daarna deden ze het zeker. Het bericht haalde enkele Belgische en Duitse kranten. Spot en hoon waren ons deel. Terecht.

Een mens zou denken dat de NS-directie zich vervolgens héél stil zou houden. Dan kent u meneer Meerstadt nog niet: zodra van de week wéér sneeuw viel, wist hij zonder blikken of blozen te melden dat de diverse reizigersorganisaties “een beetje piepen” wanneer zij klagen over de miserabele staat van de winterdienstregeling. Zo erg is het allemaal niet. Meerstadt wees vervolgens op het feit dat de NS medewerkers heeft ingezet om gratis koffie te schenken voor wachtende reizigers. In de wereld van Meerstadt is een kopje lauwe pleur blijkbaar een royale compensatie voor een uur of twee, drie (zo niet méér) staan wachten in de vrieskou.

Zulke abjecte wereldvreemdheid kan eigenlijk niet eens meer als verbazend gelden; Meerstadt zelf hoeft immers nooit op de trein te wachten. De NS-directie beloont zichzelf tenslotte rijkelijk. De NS behaalde in 2012 een totaal van 264 miljoen euro pure winst, zo’n 53 miljoen méér dan een jaar daarvoor. Een deel van die groei in winst komt omdat de NS (in gevallen van slecht weer, zoals sneeuw, hevige regen en… blaadjes…) minder treinen liet rijden, en wel de volledige subsidie-injectie van de staat op wist te strijken. (3,3 miljard euro, voor wie het wil weten.) Van het “bespaarde” geld weet de directie er warmpjes bij te zitten, terwijl de reiziger in de kou staat.

Denk er maar eens over na: ze laten minder treinen rijden, en strijken daardoor meer belastinggeld op als pure winst. Een situatie waarbij zowel de reiziger als de belastingbetaler de dupe zijn, maar het bestuur van de daarvoor verantwoordelijke organisatie enorm profiteert. Een cynischer mens dan ikzelf zou vermoeden dat ze het met opzet doen.

Meerstadt drukt de reiziger op het hart dat de NS er allemaal niets aan kan doen. Over het rapport inzake de NS-prestaties in 2012 zegt hij: “de grenzen qua capaciteit op het spoor zijn bereikt”. Dat is opvallend, aangezien uit het rapport zelf blijkt dat defecten aan materieel geen aantoonbare rol spelen bij de ellende. Alles duidt op een vooral organisatorisch probleem. Oftewel: het is wel degelijk de directie die het jaar na jaar weet te verkloten. Meerstadt ontkent dat in alle toonaarden, en voegt toe dat “het beeld van de problemen op het spoor vaak wordt gekleurd door mensen die niet in de trein willen zitten en daar nog een goede reden voor moeten vinden”.

Weet u dat ook weer. Er zijn helemaal geen problemen, het zit gewoon tussen uw oren, en bovendien is het uw eigen schuld. U moet vooral niet zeuren, en de directie is hoe dan ook niet verantwoordelijk. De Duitse en Belgische kranten die onlangs de NS noemden vroegen zich niet zelden af waarom wij in Nederland de NS-directie nog niet hebben gesommeerd om subiet de trein naar Nergenshuizen te nemen. Dat is een bijzonder goede vraag. Hij zou wel eens in de Tweede Kamer mogen worden gesteld.

vrijdag 21 december 2012

Een Onchristelijke Wereld





Een Onchristelijke Wereld

Wat als de man die wij Jezus noemen nooit geboren was?




Voorwoord


Vandaag, de eenentwintigste december, is een dag waaraan al sinds de oudheid groot belang wordt toegekend. Terecht, want het is de datum van de zonnewende die iedere winter de kortste dag markeert. Vanaf morgen worden de dagen weer langer, keert het licht terug, nadert de zomer. Het is niet voor niets dat de Mayakalender op deze dag afloopt (hetgeen in hun kosmologie overigens niet het einde van de wereld betekent, maar de aanvang van een nieuwe era). Het is niet voor niets dat talrijke volkeren in de oudheid hun winterfeest vierden op deze dag, hun feest van licht en leven. De Germanen vierden het Joelfeest, de Romeinen hielden op deze dag de Saturnaliën.

Het is niet voor niets dat de Christenen rond deze tijd de geboorte van hun messias vieren. Niet omdat Jezus in de winter geboren is, maar specifiek om het feest samen te laten vallen met de heidense lichtfeesten — zodat deze makkelijker door het Christendom gecoöpteerd konden worden. (Wie denkt dat er tegenwoordig een commercialisering van het kerstfeest plaatsvindt kan dus maar beter in gedachte houden dat het hele feest vanaf het begin al stoelt op een slinkse marketingtruc.) De enige reden dat Kerstmis op de 25ste valt, en niet op de ware datum van de zonnewende, is vanwege latere kalenderaanpassingen. Wanneer Jezus nou echt geboren is zullen we wel nooit meer kunnen achterhalen.

Hoe het ook zij, de Christenen vieren zijn geboorte tegenwoordig in december, en daarmee zijn deze dagen, de kortste en donkerste dagen van het jaar, het moment bij uitstek om eens stil te staan bij de enorme invloed die deze geboorte heeft gehad op de wereld zoals wij die kennen. Ik durf te stellen dat er nauwelijks gebeurtenissen zijn die van grotere invloed zijn geweest. We leven, zeker in het Westen, in een wereld die in zeer verregaande mate is gevormd door het Christendom. Onze wereld is een Christelijke wereld. Onze aannames, onze dogma’s, onze morele en ethische opvattingen en onze politieke vanzelfsprekendheden zijn — direct of indirect — producten van een Christelijke belevingswereld.

We zijn ons daar zelden echt van bewust. We staan er niet bij stil, omdat de maatschappij waarin we leven onze enige referentie is. We kennen niets anders dan deze wereld, en daarom zijn we blind voor het feit dat onze visie op de maatschappij, de geschiedenis, de moraal, de ethiek etc. etc. zeer sterk is gevormd door van oorsprong Christelijke aannames. Hoe kunnen we dan ooit tot objectief inzicht komen? Pas als we beseffen dat, en in hoeverre, we door iets beïnvloed worden kunnen we daar rekening mee houden en objectief denken. We moeten ons dan afvragen: hoe, en in hoeverre, heeft het Christendom onze wereld gevormd?

De historicus Niall Ferguson gebruikt een uiterst interessante methode om dergelijke vragen te benaderen: om de invloed van een gebeurtenis te analyseren vraagt hij zich af wat er gebeurt zou zijn als deze gebeurtenis nooit had plaatsgevonden. In zijn boek The Pity of War gebruikt hij deze methode (die hij virtual history noemt) om een aantal aannames inzake de Eerste Wereldoorlog kritisch te bestuderen. Deze aanpak dwingt een onderzoeker om de materie vanuit een totaal andere invalshoek te benaderen — hetgeen uiterst bevorderlijk is voor het loslaten van dogmatische premissen.

Om onze eigen, Christelijke, wereld objectiever te benaderen zou het best wel eens raadzaam kunnen zijn om ons af te vragen wat er geworden zou zijn van onze geschiedenis, onze cultuur, onze wereld, als er geen Christendom bestond. Als Jezus nooit geboren was. Er zijn al grote aantallen boeken geschreven — variërend van nauwkeurige geschiedkunde tot pure fictie — waarin men zich afvraagt wat er gebeurd zou zijn als een cruciale gebeurtenis anders zou zijn verlopen. Hoe vaak heeft men zich niet afgevraagd hoe een wereld zonder Hitler er uit had gezien? (Daar zijn al snel een paar honderd boeken over geschreven.) Een boek of serieus essay dat gaat over een wereld zonder Jezus heb ik echter nog nooit gezien. Wellicht bestaat het, maar het is mij niet bekend. Duidelijk houdt het de gemoederen merkbaar minder bezig. Terwijl de invloed van Jezus op onze wereld toch echt ontelbare malen groter is geweest dan die van Hitler. (En ik schroom niet om daar aan toe te voegen: godzijdank!)

Ik heb vaker zeer interessante gesprekken en discussie gevoerd over de invloed van het Christendom op onze wereld. Het is een onderwerp dat mij — en, gezien die gesprekken, ook anderen — weet te boeien. Vandaar dit essay, waarin ik tracht de vraag te beantwoorden: wat als de man die wij Jezus noemen nooit geboren was? Ik zal hier een portret schetsen van een Onchristelijke wereld. Vanzelfsprekend is het antwoord op de vraag “wat zou er gebeurd zijn als…?” per definitie een vorm van speculatie. Ook een pionier op het gebied, zoals Niall Ferguson, geeft dat direct toe. Aan de andere kant, er zijn heel wat mensen die ook de inhoud van de bijbel zouden kenmerken als een vorm van speculatie — dus door dergelijke bezwaren hoeven we ons niet te laten weerhouden.

In dit essay pretendeer ik tevens niet de Onchristelijke wereld te beschrijven, maar één mogelijke Onchristelijke wereld. Niet de gang van zaken die zonder twijfel zou hebben bestaan, ware het Christendom nooit opgekomen, maar een geschiedenis die had kunnen bestaan. Een gang van zaken die ik, op basis van de historische werkelijkheid, het meest waarschijnlijk acht. Natuurlijk kan ik niet met zekerheid zeggen hoe een versmelting van Germaanse en Romeinse religie in een Onchristelijk Italië onder de Ostrogoten zou hebben uitgepakt (om maar een voorbeeld te noemen). Ik kan enkel beargumenteren dat zo’n syncretische ontwikkeling zou hebben plaatsgevonden. Mijn duiding van hoe zo’n religie er ongeveer uit zou hebben gezien heb ik toegevoegd om de door mij geschetste wereld wat levendigheid te geven. U mag het couleur locale noemen.

Bij alles dat ik mijn lezers voorspiegel zal ik eerst vertellen waarom ik geloof dat het zo gegaan zou zijn, en niet anders: ik onderbouw de wereld die ik met fantasie schets door middel van feitelijke observaties uit de ons welbekende geschiedenis. Ieder “hoofdstuk” van de Onchristelijke geschiedenis die ik opteken wordt voorafgegaan door een analyse die ik baseer op concrete feiten uit onze eigen geschiedenis — die zo sterk gevormd is door het Christendom. Ik zal trachten die vorming, en de gevolgen ervan, helder weer te geven. Mijn hoop is dat daarmee ook de gevolgen van een absentie van het Christendom zichtbaar worden.

Hier, dan, volgt een dubbelportret van twee werelden. De onze, zo ingrijpend gevormd door het Christendom — en een andere, Onchristelijke wereld, die ook door geheel andere krachten is gevormd.

donderdag 29 november 2012

Op zoek naar de waarheid




Plato, Aristoteles, en het realiteitsbesef van de Westerse filosofie

Wat is waarheid? Uiteindelijk is dat de meest fundamentele vraag van de filosofie. Niet “wie ben ik?” of “wat is de zin van het leven?” of enige andere existentiële vraag. Om vragen over het bestaan te stellen, moeten we eerst weten wat echt bestaat, en wat de aard van dat bestaan is. Wat is wáár? Wat is echt? Wat is werkelijkheid?

De grondleggers van de Westerse filosofische traditie – Socrates, Plato en Aristoteles – hielden zich al bezig met deze vraag, hoewel ze niet tot dezelfde conclusies kwamen. We kennen Socrates enkel via de werken van Plato, waarin Plato de Socratische leer verdedigt. Er bestaat zelfs de theorie dat Socrates nooit bestaan heeft, en een verzinsel van Plato was, om diens eigen denkbeelden uit te dragen. Of dit het geval is geweest is onmogelijk na te gaan, maar het is in ieder geval een feit dat Plato en Socrates één hoofdstroming in het Westerse realiteitsbesef vertegenwoordigen, terwijl Aristoteles de andere hoofdstroming belichaamt.

donderdag 8 november 2012

Alle wegen leiden naar...


Hoe Republiek onvermijdelijk moest wijken voor Imperium.

Rome – méér dan een stad, meer zelfs dan de eeuwige stad – het is een idee, een symbool. Het woord “Rome” staat in ons collectieve bewustzijn voor de ultieme belichaming van Imperium. Het was het Romeinse Rijk dat een vorm bood waar alle latere Europese Rijken zich naar modelleerden. Toch was Rome gedurende vijf eeuwen juist de belichaming van de Republiek. Het is een vreemd idee, dat de archetypische Republiek uiteindelijk het archetypische Imperium werd. Toch geloof ik dat het (bijna) niet anders kon. Er zijn maar weinig scenario’s denkbaar waarin de Republiek het overleefd zou hebben. Uiteindelijk hadden alle wegen van de geschiedenis naar het Romeinse Rijk geleid.

donderdag 25 oktober 2012

Aígyptos en Miṣr


Zelfs de grootste rijken en oudste culturen kunnen verstikken in het stof van de woestijn – als ze niet immer waakzaam zijn. Dat is een les die men op wrede wijze heeft geleerd in het land dat wij “Egypte” noemen.

woensdag 24 oktober 2012

Het Heilige Roomse Rijk… herboren?

Iedereen weet volgens mij wel dat ik beslist geen voorstander ben van Europese éénmaking (ik zeg bewust geen éénwording, want het is geen natuurlijk proces, maar een kunstmatige poging). Dat zegt echter niet dat ik een isolationist ben.

Iedereen die kritiek levert op Brussel krijgt dat stempel opgeplakt. Je verschuilt je achter de dijken, je bent een xenofoob, een populist, wellicht zelfs een vuile neonazi. Een Europropagandist als Guy Verhofstadt deinst er niet voor terug om alle Eurosceptici tot rechts-extremisten uit te roepen. Steevast wordt de beschuldiging aangevuld met: “de sceptici hebben geen oplossing; ze zijn alleen maar tegen.”

Soms is dat zelf ten dele wáár. Ook dat diskwalificeert de Eurosceptici natuurlijk niet: het is niet onredelijk om kritiek op iets te hebben dat fout gaat, zonder meteen een volledig uitgewerkt alternatief te hebben. Het is echter wel verstandig om na te denken over alternatieven, en daarbij moeten we vooral letten op de structuren die Europa in het verleden veel goeds hebben gebracht.

woensdag 10 oktober 2012

The Green Hills of Earth

Let’s talk songs. Let’s talk poems. Let’s talk science fiction. It can’t be all politics all the time, and I like to read and write and discuss all of the aforementioned business.

And why not? After all, it’s not the essays and manifestos that bare our souls. Those reveal our minds, our intellect. For the more romantic inclination, we must often look elsewhere. And where else do we reveal as much of ourselves as in our songs? Not the mass-produced drivel that all too often pollutes the airwaves, but true songs, blessed with meter and rhyme. Our lyrical poems. These are the purest expressions of our mind, more direct and more transcendant than our prose could ever hope to be.

It is with this notion in mind that I direct your attention to the lyrical poem “The Green Hills of Earth”. A song of the future. A song of space travel. A song, above all else, of our own dear Earth. Most people familiar with it will most likely have come across it in a short story of the same name, written by Robert A. Heinlein.

It is the story of Rhysling, “the Blind Singer of the Spaceways”, whom Heinlein presents as the composer of the work in question. At this point I feel that I should tell you that it is not without reason that SFWA’s annual poetry award is called the Rhysling Award, in honour of the character that Heinlein made up to be great bard of his future history.

donderdag 20 september 2012

De verloren ziel der kunsten


Van modernistische kunst ben ik niet bepaald gecharmeerd – en dat is nog zacht uitgedrukt. Eigenlijk zou ik veel van wat vandaag de dag wordt gemaakt niet eens kunst willen noemen. Het is prutswerk zonder inhoud, en het bestaat enkel bij de gratie van de vele bakken vol subsidie die de staat er ieder jaar overheen stort.

Laat me duidelijk zijn: ik ben verklaard tegenstander van de “culturele sector” die we vandaag de dag zien, omdat deze de bagger produceert die hedendaagse kunst wil heten. Maar ik ben niet tegen kunst en cultuur. Integendeel: ik ben er dol op. Neem me mee naar Londen, laat me los in de National Gallery, en je bent voor de rest van de dag van me af. Maar het Tate Modern sla ik liever over, met uw welnemen. Soms, heel soms, wordt ook daar iets moois tentoongesteld. Dat is echter slechts de uitzondering die de regel bevestigt, en de regel is: moderne kunst is rommel.

Waarom is dat? Hoe komt het dat we niet of nauwelijks nog kunstwerken lijken te produceren die de moeite waard zijn? Waar, met andere woorden, ging het mis? Ik kan in ieder geval wel zeggen wannéér: de eerste helft van de twintigste eeuw. Vóór pakweg de Tweede Wereldoorlog werd kunst met inhoud gemaakt. Kunst in talloze vormen en stijlen, maar altijd met een boodschap. Met een ziel. En dat is precies wat nu ontbreekt. Hoe kan dat toch?

woensdag 19 september 2012

De uitzuigers en hun trouwe stemvee

49% van de huishoudens in de Verenigde Staten van Amerika krijgt op de één op andere manier geld van de overheid. Het lijkt wel alsof The Land of the Free eerder een land van handophouders is geworden. Dat beeld klopt echter – gelukkig! – niet helemaal. Niet dat de zittende president, Obama, er niet alles aan doet om zo veel mogelijk mensen afhankelijk van de staat te maken: hij is de meest linkse president in decennia. Toch is Amerika nog niet zo afhankelijk van het staatsinfuus als die 49% zou doen vermoeden.

De meeste van die huishoudens betalen namelijk ook belasting, en een flink deel betaalt méér aan belasting dan het ontvangt aan allerlei uitkeringen en subsidies. De vraag die we moeten stellen is: hoeveel mensen betalen méér dan ze ontvangen? En hoeveel mensen ontvangen méér dan ze betalen? Netto komt het er namelijk op neer dat de eerstgenoemde groep betaalt voor de tweede groep.

Economisch is ieder land onderverdeeld in netto-betalers en netto-ontvangers. Dat geldt voor de VS, maar ook voor Nederland. Het kan best zijn dat netto-betalers óók geld krijgen van de overheid, maar dat is dan een sigaar uit eigen doos. Als je 50.000 euro betaalt en 20.000 euro krijgt, kan je net zo goed niks krijgen en 30.000 euro betalen. Dat is echter minder gunstig voor de overheid. Die wil niet dat je weet hoeveel je eigenlijk betaalt. Overheden kunnen het volk namelijk enkel uitzuigen om twee redenen. Ten eerste omdat de staat de netto-ontvangers paait met allerlei cadeautjes die door de netto-ontvanger betaalt worden. (Voor de overheid bent u dus ofwel stemvee om vet te mesten, ofwel een melkkoe om uit te zuigen.) Ten tweede omdat een groot deel van de burgers – van die hierboven genoemde 49% – niet wéét dat ze eigenlijk netto-betalers zijn! (Ze betalen dus onbedoeld mee aan hun eigen uitzuiging.)

Hoe meer mensen afhankelijk zijn, hoe meer mensen netto ontvangen, hoe gunstiger het is voor de overheid. Dat wint namelijk steun: stemvee. En hoe onduidelijker het belastingstelsel is, hoe minder mensen dóórhebben dat ze eigenlijk netto-betaler zijn, en uitgezogen worden. De oplossing voor dit probleem vereist twee simpele stappen. Ten eerste: maak van iedere burger een jaarlijks overzicht van wat hij precies afstaat aan en wat hij precies ontvangt van de staat. Ieder jaar dient de burger dat overzicht te ontvangen, zodat hij zelf weet of hij netto-betaler of netto-ontvanger is. Ten tweede: geef alleen stemrecht aan netto-betalers. Dit volgens de aloude principes “Wie betaalt, die bepaalt” en “Wie van andermans tafel eet, die eet wat de pot schaft”.

Dit komt neer op een moderne vorm van censuskiesrecht, waar de uitzuigers in Den Haag het volk niet meer kunnen reduceren tot willoos en machteloos vee. Het geeft degene die de lasten moet dragen ook het recht om de beslissingen te nemen – en dat is hoe het hoort. Vanzelfsprekend moet zo’n voorstel goed overwogen worden. Iemand die zijn leven lang hard werkt en dan plotseling zijn baan verliest, die moet niet opeens zijn stemrecht kwijt zijn.

Het is van groot belang om dergelijke aandachtspunten goed te belichten. Ik heb al eerder voor een modern censuskiesrecht gepleit, waarbij netto-ontvangers niet mogen stemmen. Anderen hebben het ook voorgesteld. Zo’n betoog wordt bijna standaard aangevallen met allerlei voorbeelden van mensen die opeens buiten hun eigen schuld niet meer zouden mogen stemmen.

De meest voor de hand liggende oplossing is één die nu ook vaak wordt toegepast: de mogelijkheid om een alternatief peiljaar aan te geven. Wie plotseling zijn inkomsten verliest, maar voordien wel een minimum aantal jaren heeft gewerkt, kan een vorig jaar dan opgeven als peiljaar. Of het gemiddelde dan de laatste tien jaar laten bekijken. Op die manier worden de permanente handophouders uitgesloten van het kiesrecht, en de harde werkers die tijdelijk wat tegenslag ontmoeten niet.

Ook hoort een voorstander van modern censuskiesrecht vaak dat hij “dus een hekel heeft aan vrijwilligers, mantelzorgers, gepensioneerden en studenten”. Dat is simpelweg een drogredenering. Het idee is dat enkel wie zijn hand ophoudt niet mag stemmen. Een vrijwilliger die geen cent belasting betaalt mag nog steeds gewoon stemmen – zo lang hij maar niet uit de staatsruif vreet. Er zijn geen minimum inkomensvereisten, er is enkel de eis dat je niet op kosten van de belastingbetaler leeft.

Gepensioneerden hebben natuurlijk hun hele werkzame leven premie afgestaan. Die mogen dus gewoon stemmen: het pensioen dat ze ontvangen komt wel via de staat, maar als resultaat van de premie die ze hun leven lang hebben betaald. Ik ben zelf overigens voorstander van een spaarstelsel in plaats van een omslagstelsel, waardoor alle verwarring hieromtrent de wereld uit zou zijn.

Studenten die studiefinanciering ontvangen in de vorm van een gift, en méér ontvangen dan ze aan belasting afstaan, zouden inderdaad niet moeten mogen stemmen. Een leenstelsel zou dat oplossing. Een lening is namelijk geen gift, maar iets dat je terugbetaalt. Dat kan je tegen elkaar wegstrepen, waardoor een student die enkel een lening ontvangt wel zou mogen stemmen.

Al met al zijn de kritiekpunten die worden geleverd op een modern censuskiesrecht stuk voor stuk ongeldig en gebaseerd op foute aannames. De enige mensen die uitgesloten worden van het kiesrecht zijn de mensen die structureel op kosten van de belastingbetaler leven. Die mensen zouden ook gewoon niet moeten mogen stemmen, want die inspraak geeft ze beschikking over het eigendom van een ander. Dat is niets minder dan georganiseerde roof.

De praktische uitvoerbaarheid levert geen problemen op. Het is nu al bekend wie welke (directe) belastingen en heffingen betaalt, en wie welke uitkeringen en subsidies ontvangt. Er is geen extra bureaucratie voor nodig om iedereen inzicht te geven in zijn netto positie: betaalt hij meer dan hij ontvangt, of vice versa? Ook is het niet moeilijk om stempassen vervolgens enkel te verstrekken aan netto-betalers. Er is maar één obstakel: om modern censuskiesrecht in te voeren moeten we de Grondwet wijzigen, en dat zal niet snel gebeuren. Het verplicht stellen van een overzicht van de belastingafdrachten en overheidssteun van en voor iedere burger is minder moeilijk in te voeren. Maar ook dat voorstel zal op flinke weerstand vanuit Den Haag stuiten.

Doorvoering van dergelijke plannen zou de roofstaat een geweldige dreun geven, en daar zijn de politici doodsbang voor. Het zou de overheid zo radicaal inkrimpen dat de uitzuigers massaal hun baantjes kwijtraken. Geen gevestigde partij zal dit voorstel dan ook steunen. Toch lijkt het mij de enige manier om Nederland weer op de rails te krijgen. Zo lang Jan mag stemmen over de vraag of de overheid geld van Piet moet afpakken om het aan Jan te geven, zal Jan daar vóór stemmen. En dat is waar de overheid haar veel te grote macht vandaan haalt.