Posts tonen met het label Thomas Jefferson. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Thomas Jefferson. Alle posts tonen

donderdag 19 juli 2012

Twee Revoluties

Waarom ik de Verenigde Staten bewonder en Frankrijk minacht

Iedereen die mij een beetje kent, weet dat ik dol ben op de Verenigde Staten – en dat ik een hekel heb aan Frankrijk. Nu heeft volgens mij iedereen wel favoriete landen, en hebben de meeste mensen ook wel één of twee landen waar ze bepaald niet van gecharmeerd zijn. Dat kan met van alles te maken hebben: het weer, de taal, de mensen die er wonen… noem maar op.

Mijn afkeer van Frankrijk heeft met dat alles echter niets te maken. Het weer is er doorgaans stukken beter dan in Nederland, de taal (hoewel Romaanse talen niet mijn sterkste kant zijn) klinkt beslist niet slecht, en Fransen zijn voor zo ver ik weet ongeveer net zo vriendelijk of onvriendelijk als de rest van de wereld. Nee, mijn hekel aan Frankrijk heeft een heel andere oorzaak, en het is tijd om dat eens uiteen te zetten. Waarom tenslotte niet?

donderdag 16 februari 2012

De Verenigde Staten van Europa? Het zou een ramp zijn!

Al geruime tijd wankelt de Europese Unie op de rand van een afgrond, en de leiders van de EU doen ons graag geloven dat als wij hen niet vertrouwen en gehoorzamen, we er allemaal in zullen storten. In Griekenland wordt het verzet onder de bevolking tegen de zogenaamde “hulp” van de EU steeds heftiger, en dit moet – zo verzekert de Europese leiding de burgers der lidstaten – worden opgelost door méér geld en méér centrale macht. Want anders wacht ons de afgrond!

In werkelijkheid zijn het niet de lidstaten die in de afgrond dreigen te vallen, maar de politieke structuur van de EU. Wij betalen niet om onszelf te redden, en ook zeker niet om de Grieken te redden, maar om de EU in leven te houden. Desondanks willen de leiders van de Unie ons overhalen (of liever nog, dwingen) om onze soevereiniteit aan hen af te dragen. Eurofederalisten, zoals ze zichzelf noemen, pleiten luider dan ooit voor het vormen van de “Verenigde Staten van Europa”.

Thans leven we in wat formeel een confederatie is, waarin de lidstaten hun soevereiniteit behouden – ook al heeft de EU nu al federale trekjes, en dat worden er steeds méér… In geval van een federatie geven de lidstaten hun soevereiniteit op, en komt de uiteindelijke macht bij Brussel te liggen. Dit is al jaren, zo niet decennia, de droom van mensen als Guy Verhofstadt. Het liefst zouden ze de natie-staat afschaffen, een het verenigde “land” Europa scheppen. Nederland zou achterblijven als provincie van een groot geheel. Dat daarvoor wat vrijheden moeten sneuvelen, lijkt deze mensen niet te deren.

woensdag 10 augustus 2011

De Amerikaanse vrijheid: verdronken in een schuldenput?

I wish it were possible to obtain a single amendment to our Constitution. I would be willing to depend on that alone for the reduction of the administration of our government to the genuine principles of its Constitution; I mean an additional article, taking from the federal government the power of borrowing.”

– Thomas Jefferson, in een brief aan John Taylor, 26 November 1798


De Verenigde Staten van Amerika zijn verwikkeld in een fel debat tussen klaarblijkelijk onverzoenbare partijen. Aan de ene hand hebben we de voorstanders van een grote overheid, met veel taken en verantwoordelijkheden. Zij willen dat de federale overheid geld kan lenen om dat alles te financieren, en zien ook verhoging van de belastingen wel zitten.

Hier recht tegenover vinden we de pleitbezorgers van de kleine staat, die zich tot de kerntaken beperkt. Zij willen koste wat het kost de wet tegenhouden die de overheid toestaat om verdere schulden aan te gaan. Tevens willen zij niet de belastingen verhogen, maar juist de uitgaven drastisch verlagen.

Het jaar was 1790, en de Federalisten van Alexander Hamilton stonden lijnrecht tegenover de Anti-Federalisten van Thomas Jefferson. De dertien staten hadden zich enkele jaren eerder vrijgevochten van onder het Britse juk vandaan, en dat had flink wat geld gekost. De staatsschuld was opgelopen tot 63 miljoen dollar: 38 miljoen schuld van de federale overheid, en 27 miljoen schuld van de individuele staten.

Hamilton, de minister van Financiën, stelde destijds voor dat de federale overheid de schulden van de staten overnam, en staatsobligaties ging verkopen om deze eerste schulden af te betalen. Dan zou er zo snel mogelijk méér geld geleend moeten worden, om flink veel geld beschikbaar te krijgen voor de overheid. Daarnaast zouden er hoge importtarieven moeten komen, om de eigen economie te beschermen. Met de opbrengst van dit alles kon de Amerikaanse industrie dan door de staat gesubsidieerd worden, en een machtig leger opgezet worden.

Jefferson had voor deze megalomanie geen goed woord over. Als de federale overheid de schulden van de staten overnam, zou dat betekenen dat de schulden over alle Amerikanen verdeeld zouden worden. De staten die al veel hadden afbetaald (waaronder Jeffersons eigen Virginia) zouden opdraaien voor de schuld van staten die nog niets hadden afbetaald.

Erger nog: het zou de staten afhankelijk maken van de federale overheid, die ze dan financieel in de tang zou hebben. En als de federale overheid zich dan ook nog zélf in de schulden zou steken, was dat nog veel erger: “the states will be indebted to a New York banker, who will in turn be indebted to a London moneyshark!”

Naar mate de overheid méér taken op zich zou nemen, zou ook het bedrag dat de staat moest lenen steeds groter worden. De rentelast zou enorm worden, en vereisen dat de belastingen weer verhoogd werden. En die belastingen - dat was óók al doffe ellende! Want protectionisme zou alleen maar de prijzen opdrijven. Een vrije wereldmarkt zou optimale concurrentie garanderen.

Wat wilde die Hamilton eigenlijk met die grote overheid en dat machtige leger? Had hij ook niet al eerder voorgesteld om George Washington tot koning te kronen? (Gelukkig had Washington dat subiet afgewezen, en had hij gekozen voor het bescheiden “mr. president”.) Volgens Jefferson was een leger vooral een instrument van onderdrukking: de burger moest zichzelf kunnen en mogen verdedigen, en krijgsmachten moesten zo klein mogelijk zijn. Hamilton was volgens hem een dictator in spé.

Zo ver is het nooit gekomen. Hamilton stierf op 12 juli 1804 in een duel met Aaron Burr, een andere politieke en persoonlijke tegenstander van hem (hij was namelijk een man die met zijn arrogante houding veel vijanden in het leven riep). In de tussenliggende jaren had hij echter een blijvend stempel op de politiek en de economie van de jonge republiek gedrukt.

In 1791 kwamen Jefferson en Hamilton tot een compromis over de staatsschuld. Jefferson hoopte daarmee de schade te beperken, door éénmalig een concessie te doen. Toen was het hek echter van de dam, en hij erkende het in zijn latere jaren als een kapitale blunder. Hamilton voerde steeds méér van zijn étatistische en centralistische politiek door, en dat effect bleek zelfversterkend. Hoe machtiger de centrale overheid werd, hoe moeilijker het werd om je ertegen te verzetten, en hoe makkelijker de macht nog verder kon worden gecentraliseerd.

De Federalisten wonnen het van de Anti-Federalisten, en de centrale overheid werd steeds machtiger. De schuld en de belastingen liepen ook steeds verder op, en ook de krijgsmacht werd al maar groter en machtiger. Er stonden twee politieke en maatschappelijke visies tegenover elkaar, en het ordelijke pragmatisme won met genadeloze bruutheid van het vrijheidslievende idealisme. Maar idealisten geven nooit op, dus de strijd gaat verder.

We leven nu 220 jaar na het fatale compromis van 1791, en hetzelfde debat is in al haar vurigheid weer opgevlamd. Maar we zien hoe machtig de federalisten zijn, en hoe diep de voetafdruk van hun tirannieke laars in de Amerikaanse ziel is gestampt: zowel Democraten als Republikeinen zijn vóór het lenen van meer geld. De enige politici die het erfgoed van Jefferson bewaken zijn een aantal idealisten die zich scharen onder de banier van de Tea Party - vernoemd naar de gebeurtenis waar de Amerikaanse opstand ooit mee is begonnen. En zelfs in die beweging zitten veel conservatieven die van alles en nog wat willen laten verbieden door een machtige overheid.

Er is in de Tea Party gelukkig ook een vleugel van échte vrijheidsstrijders, en die maken zich nu hard voor de idealen die Jefferson ooit zo krachtig formuleerde. Ze willen géén verhoging van het schuldenplafond, géén verhoging van de belastingen, géén bezettingslegers in Irak en Afghanistan, en géén almachtige staat.

Ze willen lagere uitgaven, meer verantwoordelijkheid voor de burger zelf, een balanced budget en een staatsschuld die netjes afbetaald wordt. Ze zijn verreweg in de minderheid, maar ze hebben gelijk. Net zoals Jefferson dat twee eeuwen geleden al had. De strijd is nu nóg moeilijker, de opportunistische pragmatisten nóg machtiger - maar laten we hopen dat de verdedigers van de vrijheid een overwinning kunnen boeken. Anders is het lot van de VS onzeker.

Jefferson, hun inspirator, schreef de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten. Life, and liberty, and the pursuit of happiness... dat waren zijn woorden, zijn idealen. We kunnen hem met recht de vader van de Amerikaanse vrijheid noemen. En hij waarschuwde tegen aanvallen op die vrijheid, keer op keer. Het lenen van grote geldbedragen door de federale overheid zag hij als een enorme vergissing, die uiteindelijk de vrijheid en onafhankelijkheid van de Amerikaanse burgers zou bedreigen.

Het is zo ver gekomen. Het grootste deel van de Amerikanen is zijn profetische woorden blijkbaar vergeten, en nu dreigt een vrij land te bezwijken onder een schuld die is aangegaan door generatie na generatie van megalomane politici.

Als Hamilton vandaag nog rondliep in Washington, zou hij vast net als Obama pleiten voor extra leningen. Gaten dichten met nog grotere gaten. Twee eeuwen terug dacht hij dat ook al, en daar is de ellende mee begonnen. Zie nu het resultaat. Laten we hopen dat de Amerikanen op tijd in herinnering roepen dat Jefferson ze opriep om dat juist niet te doen, en dat ze dit keer de juiste keuze maken. Anders zal het snel gedaan zijn met wat hen tegenwoordig nog rest van hun vrijheid.

zaterdag 30 april 2011

De Rationele Geest

Truth is the proper and sufficient antagonist to error, and has nothing to fear from the conflict unless by human interposition disarmed of her natural weapons, free argument and debate, errors ceasing to be dangerous when it is permitted freely to contradict them.”

– Thomas Jefferson, in het door hem opgestelde Virginia Statute of Religious Freedom, van 1779 (en bij wet ingevoerd in 1786)


Wat de menselijke soort uniek maakt, is onze ongeëvenaarde mate van bewustzijn. We hebben een ontwikkeld verstand, zodat we in staat zijn om onszelf en onze wereld niet alleen te observeren, maar óók om het geobserveerde te analyseren, te rationaliseren. Dit is de basis van onze kennisverwerving, en daarmee van onze geestelijke groei – als individu én als soort.

Dat wij rationeel kunnen handelen, betekent echter niet dat wij dit ook (altijd) doen. Mensen zijn nog steeds uit de boom gevallen apen, en hoewel we zijn opgekrabbeld, en nu langzaam bij die boom vandaan reizen; ons verstand is beperkt. Dat is geen schande, overigens, het is slechts een feit. De menselijke geest is hiermee het toneel van een krachtmeting tussen instinct en bewustzijn.

De mens die zijn bewustzijn niet uitoefent, kan heel snel ten prooi vallen aan irrationaliteit. Dit vindt zijn uiting in dogmatisme: men gaat dan dingen geloven die de toets der logica niet kunnen weerstaan, maar verwerpt bij die botsing de logica, en niet de misvattingen. Ik doel hiermee overigens niet op menselijke overtuigingen of vormen van geloof: in mijn ogen hoeft een geloof geen dogma te zijn.

Sterker nog: óók geloof is een product van ons bewustzijn. Niet alleen het geloof in bijvoorbeeld een god, maar onze neiging om het onbekende te willen verklaren, om iedere leegte te willen vullen. Geloof en wetenschap dienen daarin een soortgelijk doel: het brengen van licht waar het nog donker is, opdat wij kunnen zien.

Er zijn verstokte atheïsten die volhouden dat geloof onzin is. Waarom iets verdedigen dat je niet kan bewijzen, zoals het bestaan van god? Daar werp ik tegen in dat het net zo min bewezen is dat god niet bestaat. Bovendien zou je voor een zinnige discussie eerst overeenstemming moeten bereiken over wat “god” dan is: het bestaan van een man met een lange witte baard die op een wolk woont is – in het licht van onze kennis – nogal onwaarschijnlijk. Het bestaan van een nog onbegrepen energie waar wij allemaal deel van uitmaken is echter helemaal niet onrealistisch.

Degene die een dergelijke mogelijkheid glashard ontkent, is net zo dwaas en dogmatisch bezig als degene die zonder enige twijfel of argumentatie aanneemt dat de gehele Bijbel letterlijk gelezen moet worden.

We kunnen een voorbeeld nemen aan Thomas Jefferson, die zijn hele leven gefascineerd was door de verhouding tussen geloof en rationaliteit. Hij was een oprechte vrijdenker, een zoon van de Verlichting, en dit vormde zijn beschouwing van de wereld. Eén van zijn grote voorbeelden was John Locke, de vader van de empirische benadering: we weten alléén zeker wat we zélf hebben kunnen observeren en verifiëren, de rest kunnen we slechts vermoeden, op basis van een zekere mate van waarschijnlijkheid. Deze rationele wereldbeschouwing sluit geen enkel geloof bij voorbaat uit, en toch is het de basis van de wetenschappelijke methode.

Door de wetenschappelijke methode consequent toe te passen, beschouwen we de wereld rationeel, en voorkomen we de valstrik van het dogmatisme. De wetenschappelijke methode is immers de geformaliseerde evolutie van onze kennis: het is een zelfcorrigerend en constant ontwikkelend systeem. Daardoor verwerpt het geslotenheid en dogmatisme, en richt het zich juist op openheid en vernieuwing. Jefferson zag dit als de basis van de menselijke vooruitgang. In 1787 schreef hij in een brief aan zijn neef, Peter Carr: “Shake off all of the fears and servile prejudices under which weak minds are servilely crouched. Fix reason firmly in her seat and call to her tribunal every fact, every opinion. Question with boldness even the existence of God because, if there be one, he must more approve of the homage of reason than that of blindfolded fear.”

Jefferson pleitte voortdurend voor een kritische blik. Zowel de aanname dat een god zou bestaan, als de aanname dat dit niet zo zou zijn, vond hij voorbarig. We zouden allemaal op rationele wijze moeten streven naar vergroting van onze kennis, en dan zou de waarheid vanzelf aan het licht komen. Pas wanneer mensen zich afsluiten voor bepaalde mogelijkheden, ontstaat er immers een probleem.

De conclusie is onvermijdelijk. Wie het onbekende, het (nog) onbewezene, bij voorbaat uitsluit, bedrijft geen wetenschap – slechts een nieuwe vorm van dogmatisme. En wie blindelings vasthoudt aan een religieus standpunt, ook als de onwaarheid ervan feitelijk bewezen is, handelt niet uit geloof – maar juist uit ontkenning van de werkelijkheid.

Het blijkt dat de “tegenstelling” tussen geloof en wetenschap een kunstmatige is: ze zijn allebei gericht op het vergroten van ons begrip. De ware antithese van onze kennis ligt in het dogmatisme, omdat dit juist leidt tot het afsluiten van onze geest, waardoor onze kennis niet meer groeit. Het is dan ook mijn opvatting dat dogmatisme een soort handicap is: het maakt niet je ogen blind, maar je verstand.

Dogmatisme kan overal opduiken – met hetzelfde gemak in de wetenschap als in het geloof – maar het heeft geen schijn van kans als we vertrouwen op ons eigen verstand. Als we open staan voor alle mogelijkheden, ze ook allemaal kritisch beschouwen, en geen definitieve conclusies trekken totdat er sluitend bewijs is. Dan stappen we met gemak voorbij iedere kunstmatige tegenstelling, en zien we dat geloof en wetenschap allebei wortels hebben in de geest van onze rationaliteit, en in het hart van onze verwondering.