Van modernistische kunst ben ik niet bepaald gecharmeerd – en dat
is nog zacht uitgedrukt. Eigenlijk zou ik veel van wat vandaag de dag wordt
gemaakt niet eens kunst willen noemen. Het is prutswerk zonder inhoud,
en het bestaat enkel bij de gratie van de vele bakken vol subsidie die de staat
er ieder jaar overheen stort.
Laat me duidelijk zijn: ik ben verklaard tegenstander van de
“culturele sector” die we vandaag de dag zien, omdat deze de bagger
produceert die hedendaagse kunst wil heten. Maar ik ben niet tegen kunst en
cultuur. Integendeel: ik ben er dol op. Neem me mee naar Londen, laat me los in
de National Gallery, en je bent voor de rest van de dag van me af. Maar het
Tate Modern sla ik liever over, met uw welnemen. Soms, heel soms, wordt ook
daar iets moois tentoongesteld. Dat is echter slechts de uitzondering die de
regel bevestigt, en de regel is: moderne kunst is rommel.
Waarom is dat? Hoe komt het dat we niet of nauwelijks nog
kunstwerken lijken te produceren die de moeite waard zijn? Waar, met andere
woorden, ging het mis? Ik kan in ieder geval wel zeggen wannéér: de eerste
helft van de twintigste eeuw. Vóór pakweg de Tweede Wereldoorlog werd kunst met
inhoud gemaakt. Kunst in talloze vormen en stijlen, maar altijd met een
boodschap. Met een ziel. En dat is precies wat nu ontbreekt. Hoe kan dat toch?
