Wat zou hebben plaatsgevonden, indien de Britten niet die meesterlijke Horatio Nelson het bevel hadden gegeven over de vloot die Napoleon in 1798 naar Egypte volgde— en hem in de Slag op de Nijl wist te verslaan? Napoleon won op het land (in de Slag bij de Pyramiden). Het verlies van zijn transportvloot was echter een strategische nederlaag die hij niet meer te boven kwam. Geconfronteerd met enkele revolten en een Ottomaans tegenoffensief moet hij uiteindelijk, na een gefaalde poging om in de Levant echt terrein te winnen, terugvallen naar Caïro, en uiteindelijk naar Frankrijk.
Het gefaalde beleg van Akko ('Acre' in het Frans; eigenlijk het oude Ptolemaïs) in 1799 wordt gezien als het breekpunt van de campagne, ook door Napoleon. In 1805, toen hij Frankrijk regeerde als een halfgod, blikte de onnavolgbare Bonaparte terug op zijn tijd in het Nabije Oosten, en schreef:
"Indien ik in 1799 Akko had kunnen veroveren, zou ik mijn soldaten hebben uitgerust met de geschikte woestijnkledij van de vijand, en een zorgvuldige campagne hebben gevoerd waarbij ik mijn schaarse troepen enkel zou riskeren als het noodzakelijk was. Ik zou hen tot een Heilig Batallion hebben gemaakt— mijn Onsterfelijken. Ik zou met verdere hulp van de Arabische Christenen, de Armeniërs en de Grieken de oorlog tegen de Turken hebben voltooid. In plaats van een slag in Moravië zou ik een slag bij Issos hebben gewonnen. Ik zou mijzelf Keizer van het Oosten hebben gemaakt, en ik zou de veroveringsmars terug naar Parijs hebben gemaakt via Constantinopel."
Een fascinerende schets van een alternatieve geschiedenis, maar 'enkel' winnen bij Akko had het verschil niet kunnen maken. Het verlies van de vloot was al een te grote slag geweest, ook omdat het zijn prestige flink had aangetast onder de locale bevolking. Maar laten wij stellen dat, zoals ik al suggereerde, de Britten niet de briljante (doch óók controversiële en 'lastige') Nelson het bevel hadden gegeven? Wie anders had van Napoleon kunnen winnen? Wellicht niemand— of althans niemand die toen kans maakte op het Britsche vlootbevel.
Laten wij ons dus eens voorstellen dan Napoleon in die vroege Augustusdagen van 1798 niet alleen in de schaduw van de pyramiden had gewonnen, maar ook in de delta van de Nijl. Dat het de Britsche schepen waren, die brandend afzonken of in sommige gevallen zelfs door Bonaparte werden buitgemaakt. De Egyptenaren die tegen Napoleon waren zouden dit hebben gezien als bevestiging van de beweringen die Napoleon had gedaan over zijn onverslaanbare aard. (Toen Nelson de Slag op de Nijl won zagen de Egyptenaren dit precies andersom, en vanaf toen begonnen ze in opstand te komen tegen Napoleon. Indien hij de Britten totaal had verslagen waren zij onderdanig gebleven.)
De Ottomanen zouden nog steeds een tegenaanval in gang zetten, via Syrië en de Levant, en Napoleon zou dus ook hier naar het noordoosten moeten marcheren om ze te lijf te gaan. In dit geval zou hij echter steun van een vloot hebben, terwijl de Britten er niet zouden zijn om het belegerde Akko te bevoorraden. Ook zouden er geen tijd, energie en manschappen nodig zijn om diverse locale opstanden neer te slaan. Akko zou dus vallen, waarna voor Napoleon de weg vrij zou zijn om Tyrus in te nemen. En van daaruit? Zeg het maar. Sidon, Beiroet, Damascus, Homs, Aleppo, Antioch en Alexandretta lagen binnen handbereik.
Zou Napoleon de Turken echt hebben kunnen verslaan? Het klinkt ondenkbaar, maar dat Alexander de Perzen zou verslaan was dat geen haar minder. Wat Napoleon er zelf over schreef geeft ons enkele hinten over zijn intenties. Een bondgenootschap met de Armeniërs, de Grieken, en de Christenen in Arabië— waardoor een gelijktijdige aanval op de Turken vanuit drie richtingen mogelijk zou worden. We kunnen ons voorstellen dat Napoleon op deze wijze Anatolië zou hebben veroverd, om zich uiteindelijk in Constantinopel door een oecumenisch gezelschap van Katholieke en Orthodoxe geestelijken tot Oost-Romeins Keizer te laten kronen.
Van zijn zegemars naar Parijs was het waarschijnlijk niet meer gekomen, aangezien Frankrijk in zijn absentie het huis vast wel op orde had gekregen. Hij zou daar door de machthebbers beslist niet verwelkomd worden, daar zij hem—terecht—als bedreiging zouden zien. Wel zou de zegevierende Napoleon de voormalig Ottomaansche Balkan onder zijn gezag hebben kunnen brengen, niet in het minst om dir gebied te ontzeggen aan Oostenrijk en Rusland. Serviërs, Bulgaren, Kroaten en Wallachiërs zouden zich achter hem scharen. Een uitgelezen kans om wraak te nemen om de Turken.
Het Rijk van Napoleon zou zich ook kunnen uitbreiden om Mesopotamië op te slokken, en wellicht naar het westen aan de zuidkant van de Middelandsche Zee, om Libië, Tunesië en Algarije in te lijven. Daarmee zou het Oost-Romeinsche Rijk volledig zijn hersteld. De bevolking zou grotendeels islamitisch zijn, maar Napoleon had klaarblijkelijk het plan om een Christelijke elite te vormen. Ik kan mij met gemak voorstellen dat Serviërs en Bulgaren als een aristocratie de dienst uit zouden maken in Basra en Algiers. Dat Grieken weer de scepter zouden zwaaien over Anatolië. De Assyriërs Nivene zouden herbouwen. Dat de Kopten floreren aan oevers van de Nijl. Dat de Maronieten regeren in Libanon. En dat Jeruzalem weer een Christelijke stad zou zijn.
Voor de islamitische bevolking zou er niets anders opzitten dan wat er voor de Christenen als keus was toen de islamieten de regio veroverden: wie zich niet bekeert, zal ook geen status verwerven. Islamieten zouden dus de onderklasse worden, en Christenen de hogere klasse die prestige en macht geniet. Dit was destijds haalbaar, omdat er toen nog aanzienlijk meer Christenen in de islamitische wereld leefden.
Langzaam zou islam in zo'n scenario het onderspit delven. Het rijk zou geleidelijk weer geheel Christelijk worden. Allemaal omdat Napoleon een andere levensweg bewandelde. Napoleon als de wedergekomen Alexander, die een Oostelijk Rijk sticht en de koers van de geschiedenis voor eeuwig verandert. Napoleon, die na eeuwen voltooit wat de kruisvaarders begonnen waren. Niets meer dan een dagdroom, maar desalniettemin interessant om enkele momenten over na te denken.
Posts tonen met het label Christendom. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Christendom. Alle posts tonen
maandag 22 oktober 2018
vrijdag 31 augustus 2018
On the duty to mind one's own business
There is a distinct tendency among ethicists in the West to stress a perceived duty to always help other human beings in distress. In many Western countries this has become—not co-incidentally—enshrined within the frame-work of legal dictates imposed by the government upon all persons. The very idea of the "obligation to help" is the fundamental ethical legitimation of socialist ambitions and in fact of all redistributative schemes. Some have even argued that it is a fundamentally Christian principle.
At most, it is a principle deriving from a deliberate misreading of Christian ethical traditions. There is, you see, a very powerful counter-argument to be made. The refusal to help does not stem (as the socialists like to claim) from an inherent lack of empathy, but from an opposite and more fundamental ethical obligation: the duty to mind one's own business. Why? Because we ought to treat other human beings as possessing moral agency (a notion which really is Christian). This implies that we must respect their choices, insofar as they render no harm upon the innocent, even when we believe those choices to be very poor indeed.
This is doubly important because in many cases, we lack sufficient knowledge to interfere in others' lives in ways that are actually helpful. Our (presumably well-meaning) tendency to coddle may very well do more harm than good.
A truly "Western" and also truly Christian ethical stance would be to leave people be, so long as they cause no harm to you or to any third party, and to only help them when they ask for it. And even then, you should provide aid on an individual basis, because you choose to. The moment you are forced into it (by, say, the government) your actions by definition cease being ethical— because at that point, moral considerations are taken out of the hands of the relevant party. We call that tyranny.
At most, it is a principle deriving from a deliberate misreading of Christian ethical traditions. There is, you see, a very powerful counter-argument to be made. The refusal to help does not stem (as the socialists like to claim) from an inherent lack of empathy, but from an opposite and more fundamental ethical obligation: the duty to mind one's own business. Why? Because we ought to treat other human beings as possessing moral agency (a notion which really is Christian). This implies that we must respect their choices, insofar as they render no harm upon the innocent, even when we believe those choices to be very poor indeed.
This is doubly important because in many cases, we lack sufficient knowledge to interfere in others' lives in ways that are actually helpful. Our (presumably well-meaning) tendency to coddle may very well do more harm than good.
A truly "Western" and also truly Christian ethical stance would be to leave people be, so long as they cause no harm to you or to any third party, and to only help them when they ask for it. And even then, you should provide aid on an individual basis, because you choose to. The moment you are forced into it (by, say, the government) your actions by definition cease being ethical— because at that point, moral considerations are taken out of the hands of the relevant party. We call that tyranny.
zondag 3 juni 2018
Katholieken en Protestanten: metaphysica versus materialisme
Vandaag werd ik aan het denken gebracht over de essentiële verschillen tussen Katholieken en Protestanten. Volgens mij gaat het er uiteindelijk om dat Katholieken in de regel geneigd zijn tot metaphysica, abstractie en symbolisch denken, terwijl Protestanten vaak materialisten zijn, die alleen het concrete (of liever: het geconcretiseerde) willen of kunnen bevatten, en die heel letterlijk denken.
Wanneer we spreken over het Laatste Avondmaal, en dus over de Eucharistie, dan is het voor Katholieken volstrekt aannemelijk en begrijpelijk dat er daadwerkelijk transsubstantiatie plaatsvindt. We nemen werkelijk het lichaam en het bloed van Christus tot ons, en niet alleen maar brood en wijn waaraan we een naampje geven. Voor Protestanten is dit absurd en bevreemdend, want zij kunnen de gedachte niet bevatten dat het één verandert in het ander. Het moet wel een verhaaltje zijn: het is een symbool, en dus niet "echt".
Dit komt omdat Protestanten zo vreselijk materialistisch zijn in hun wereldvisie. Iets is ofwel een overdrachtelijk handeling, ofwel brood wordt letterlijk vlees en wijn wordt letterlijk bloed. En dat laatste zou je dan toch echt wel proeven, niet?!
Katholieken zijn daarentegen heel metaphysisch ingesteld. Het woord "substantie" betekent niet "materie" maar "essentie" voor een Katholiek. De transsubstantiatie die plaatsvindt is dus niet van materiële aard, doch juist van essentiële aard. Het brood veranderd niet materieel in het lichaam van Christus, maar neemt wel die essentie - en dus substantie - aan. De Katholiek erkent als het ware een hogere werkelijkheid, die 'echter' is dan de materie, terwijl de Protestant vastzit in het materiële, en daarmee in de knoop raakt wanneer er iets wordt beschreven dat physiek niet kan. (Maar metaphysisch dus wel!)
Voor een Katholiek houdt iets niet op 'echt' te zijn, gewoon omdat het symbolisch is. Sterker nog: symbolen kunnen echter zijn dan materie!
We zien precies hetzelfde wanneer we kijken naar de neiging tot een strakke predestinatieleer, waar Calvijn zich zo aan bezondigde. Daarmee wilde hij logisch verklaren hoe het toch kon dat God alles voorzag, en dus ook of mensen wel of niet in de hemel zouden komen. Goede werken die men deed konden er dan niet toe doen, want het vooropgezette plan is hoe dan ook onwrikbaar. Vanuit een strict materialistisch wereldbeeld is dit een logische gedachte. Voor de Protestant is zelfs God dus onderhevig aan tijd, en volgt ook voor God het ene moment op het andere moment in een vaste volgorde. Een Protestant moet wel naar predestinatie grijpen om deze paradox -- dus de schijnbare(!) tegenstelling -- "op te lossen".
De notie dat 'tijd' een dimensie is (en dus enkel bestaat binnen het physieke universum) was voor Katholieken echter al intuïtief, lang voordat men wist hoe dimensies eigenlijk werken. (Niet voor niets waren zoveel baanbrekende kosmologen Katholiek!) 'Tijd' geldt wel voor ons, in het materiële universum, maar niet voor God, die de materie ontstijgt. De Katholiek concludeert dus: aha, God bestaat buiten de tijd en neemt alle mogelijke momenten en plaatsen gelijktijdig waar. Het is niet dat God één pad predestineert, maar dat Hij alle mogelijke paden kan zien en dat Hij op alle mogelijke bestemmingen reeds op ons wacht.
donderdag 14 december 2017
Over de aard van het kwaad
De aard van het kwaad. Wat kunnen wij daar eigenlijk van zeggen? Ik vraag mij dat af omdat er een fascinerende discussie ontstond toen een lichtelijk verdwaalde geest een nogal beschimpend bericht op Facebook plaatste, aangaande enkele uitspraken die Paus Franciscus onlangs over het kwaad en de duivel heeft gedaan.
Helaas liep die discussie, zoals eigenlijk altijd, snel uit op een verbale strijd tussen gelovigen en atheïsten, die al snel nog maar weinig te maken had met het originele onderwerp. In die escalerende discussie raakte het eigenlijke onderwerp (de aard van het kwaad) snel ondergesneeuwd. Toch zit daarin een aardig vraagstuk. De Paus beschrijft het kwaad - te weten de duivel - als een actieve kracht. Zijn woordkeus is daarbij nogal beeldend, dus hoe letterlijk we dat moeten nemen blijft onduidelijk.
Zelf vermoed ik dat die woordkeus niet de verstandigste is geweest. De aard van het kwaad is volgens mij per definitie negatief. Zoals duisternis de absentie van licht is, zo is het kwaad de absentie van het goede. En precies zoals het licht de duisternis verdrijft, kan het kwaad niet bestaan waar het goede heerst. Omgekeerd zal het kwaad automatisch en moeiteloos heersen waar het goede niet actief aanwezig is.
Daarin ligt een zekere verbintenis met het Christelijke besef dat de mens "geneigd is tot het kwade". Accurater geformuleerd: de mens die niet actief kiest voor het goede, kiest daarmee voor het kwade. Wie neutraal wil zijn, kiest feitelijk partij voor het duister. Dit maakt het kwaad tot iets anders dan de Paus beschrijft. Het is geen actieve macht. Het kwaad schuilt in het verzaken van het goede.
Het kwaad is geen actieve kracht, maar is juist geheel latent. Dat is echter een misleidend attribuut, dat ons het kwaad onterecht doet onderschatten. Het is wel latent, maar ook universeel aanwezig. De uitwerking ervan ligt verscholen in menselijke zwakte. De mens wordt niet actief aangetrokken door het kwaad, maar vervalt er automatisch in door het goede te verzaken. Het goede vereist per definitie morele en intellectuele inspanning, het kwade niet.
Uiteindelijk is het dus morele luiheid waar wij voor moeten waken. Ledigheid, zo blijkt, is nog altijd des duivels oorkussen.
maandag 29 februari 2016
Atheïstische geschiedvervalsing
Eerder deze maand is een nieuw epistel verschenen in een lange reeks van werken die we zouden kunnen beschrijven als atheïstische apologieën. Dat wil zeggen: schrijfsels die het atheïsme verdedigen en bepleiten, en doorgaans religie aanvallen. Atheïsme is tegenwoordig hip, en voor het eerst in de geschiedenis verschijnen dit soort atheïstische apologieën dan ook op grote schaal. Voor het eerst in de geschiedenis vindt het atheïsme relatief breed draagvlak onder de bevolking (in de Westersche wereld, althans).
Het opvallende is nu juist dat het eerder deze maand uitgebrachte boek—genaamd Battling The Gods—als centrale stelling heeft dat atheïsme in de oudheid óók al zo’n breed draagvlak genoot, en dat een gepostuleerde atheïstische traditie in Hellas en Rome min of meer is uitgeroeid door het “onverdraagzame” Christendom.
Laat ik er geen doekjes om winden: dat is klinkklare onzin. Er klopt geen snars van. En daarin kunnen wij meteen het grote probleem ontwaren dat voortdurend kleeft aan de atheïstische beweging: het gaat om personen die beweren dat zij (religieus) “dogma” willen bestrijden en de harde feiten als uitgangspunt nemen… maar dat is niet wat zij eigenlijk doen. Zij zijn dogmatisch op hun eigen manier, en zijn ook niet vies van geschiedsvervalsing om de historische rol van het atheïsme even wat mooier te doen lijken dan deze daadwerkelijk was.
maandag 30 november 2015
Westerse Waarden
Dit artikel is origineel geschreven in samenwerking met Henri Serton, als eerste aanzet voor de website De Nachtwakers. Het verschijnt hier in licht bewerkte vorm (hoewel ik gekozen heb mijn gebruikelijke archaïsche spellingswijze achterwege te laten, net als in het origineel).
Beschaving is geen vanzelfsprekendheid. Het is een vlam die moet leven in de harten van de mensen; een vuur dat moet branden om een cultuur [1] te verlichten. Niet alle culturen zijn in gelijke mate beschaafd, en het simpele feit dat die uitspraak vandaag de dag controverse oproept is een teken aan de wand. Het is een indicatie dat de vlam van de Westerse beschaving aan het uitdoven is. Politieke beraadslagingen, culturele uitingen, gesprekken op straat en berichten in de media zijn doordrenkt met relativisme, nihilisme en defaitisme. Dankbaar zijn voor de verdiensten van de Westerse cultuur heet tegenwoordig “reactionair”. Trots zijn op de Westerse cultuur is taboe; het “weg-met-ons” is tot een mantra verheven. Het wordt tijd dat iemand dit zwartgallige wereldbeeld trotseert. Want wij mogen trots zijn. Wij mogen de feiten benoemen, zonder dat we bang hoeven te zijn het etiket “politiek incorrect” opgeplakt te krijgen. Het moet zelfs, in tijden als deze.
Het is tijd dat de mensen die dit begrijpen zich verenigen in het streven om de Westerse waarden, tradities en vrijheden uit te dragen, te verdedigen en waar nodig in ere te herstellen. In deze donkere tijden zijn er mensen nodig die de vlam van de Westerse cultuur in leven houden. Maar wat bedoelen we precies, wanneer we het hebben over de ‘Westerse cultuur’? Wat zijn de kenmerken van deze cultuur, en waarom is juist deze cultuur—méér dan alle andere culturen—het verdedigen waard?
Labels:
Christendom,
cultureel Marxisme,
cultuur,
Europa,
filosofie,
geschiedenis,
modernisme,
modernisten,
moderniteit,
religie,
traditie,
traditionalisme,
Westersche beschaving,
Westersche cultuur
zondag 31 maart 2013
Pasen? Ooster!
Net als de meeste Christelijke feesten is Pasen voor een groot deel een amalgaam van oudere tradities, die de Christenen hebben overgenomen van andere geloven. Er is niet heel veel authentieks aan: net als het gehele Christendom is het paasfeest een toonbeeld van een over de jaren bijeengeraapte mythologie, ontdaan van de wortels. Daardoor mist het nu toch echt iets: als een fraai bos bloemen, dat wellicht mooi op tafel staat, maar waarvan de stengels niet meer met de aarde zijn verbonden. Vergeef me derhalve, maar ik wens u geen zalig Pasen. In plaats daarvan beroep ik mij op een oudere traditie: ik wens u een gelukzalig Ooster.
Dat woord herkent u wellicht aan de hand van de Engelse naam van Pasen: Easter. Het is een pre-Christelijke term, die verwijst naar de Germaanse godin Ôstara. In de Angelsaksische talen, de voorlopers van het Engels, heette zij Ēostre of Ēastre. Dat deze naam op de woorden “oosten” en “east” lijkt is niet toevallig: haar feest was het lentefeest, de viering van het nieuwe licht. En iedereen weet dat de zon, bron van al het licht, opkomt in het oosten. De woorden Ôstara, Easter, oosten etc. zijn hoogstwaarschijnlijk allemaal afgeleid van het Proto-Indo-Europese woord voor zonsopkomst, Ausṓs.
Dergelijke lentefeesten zijn heel oud, net als het archetype van de lentegodin. Bijna alle Indo-Europese culturen hebben een dergelijke traditie, en de Christenen hebben de datum van hun feestje gewoon aangepast om daar mee samen te vallen (op dezelfde manier dat ze hun kerstfeest bewust lieten samenvallen met de midwinterviering). In het Engels hebben ze, zoals wel blijkt, zelfs de naam niet eens aangepast.
Dus nee, met dat Christelijke feestgebeuren heb ik toch wat minder. Hun interpretatie van het lentefeest mogen ze zelf houden. Ik gun iedereen dat van harte. Ik betreur enkel wel dat ze hun religie met grof geweld hebben opgelegd aan mijn voorouders. Het gevolg is dat veel te weinig mensen nog kennis hebben van de prachtige en rijke Germaanse cultuur. Maar u heeft nog tijd: het Germanen deelden het jaar in twee seizoenen, zomer en winter. Het begin van de zomer werd gevierd gedurende de maand april—het daadwerkelijke begin van de zomer was op de eerste mei.
Dit hebben de Christenen ook overgenomen, althans in Duitsland, door de nacht van 30 april op één mei te portretteren als een heksennacht—Walpurgissnacht. Dat grijpt terug op het Germaanse geloof dat zomer de tijd van leven en licht is, en winter de tijd van dood en duisternis. Op de laatste nacht vóór de zomer kon de duisternis nog één keer om zich heen grijpen. (Overigens ligt het aantal ongelukken en sterfgevallen in de laatste dagen van april inderdaad onevenredig hoog, en daar is nooit een verklaring voor gevonden.)
De Germanen namen in ieder geval het zekere voor het onzekere: gedurende april hielden ze feesten ter ere van Ôstara. De maand die wij april noemen heette zelfs Ôstarmânoth: de maand van Ôstara. Door deze godin van licht en leven te eren wilde men het duister bezweren, zodat de zomer kon aanbreken. In de laatste nacht van de wintertijd werden grote vuren ontstoken, die de hele nacht bleven branden, en zo werd de duisternis op afstand gehouden. In het noorden en oosten van ons land zien we die traditie nog terug in de paasvuren.
In ieder geval: ik ben er wellicht nogal vroeg mee, maar ik wens u alvast een gelukkig Oosterfeest, en een lange, warme zomer. Bij mij zal het vuur branden, op de laatste nacht vóór de tijd van zomer. Bij u ook? Ik hoop het van harte: laten we ons niet helemaal doodstaren op de gekerstende cultuurvormen van onze beschaving, en ook wat meer oog hebben voor de aloude Germaanse elementen, die beslist nog aanwezig zijn.
---
De discussiedraad op Facebook over dit artikel bevindt zich hier.
Dat woord herkent u wellicht aan de hand van de Engelse naam van Pasen: Easter. Het is een pre-Christelijke term, die verwijst naar de Germaanse godin Ôstara. In de Angelsaksische talen, de voorlopers van het Engels, heette zij Ēostre of Ēastre. Dat deze naam op de woorden “oosten” en “east” lijkt is niet toevallig: haar feest was het lentefeest, de viering van het nieuwe licht. En iedereen weet dat de zon, bron van al het licht, opkomt in het oosten. De woorden Ôstara, Easter, oosten etc. zijn hoogstwaarschijnlijk allemaal afgeleid van het Proto-Indo-Europese woord voor zonsopkomst, Ausṓs.
Dergelijke lentefeesten zijn heel oud, net als het archetype van de lentegodin. Bijna alle Indo-Europese culturen hebben een dergelijke traditie, en de Christenen hebben de datum van hun feestje gewoon aangepast om daar mee samen te vallen (op dezelfde manier dat ze hun kerstfeest bewust lieten samenvallen met de midwinterviering). In het Engels hebben ze, zoals wel blijkt, zelfs de naam niet eens aangepast.
Dus nee, met dat Christelijke feestgebeuren heb ik toch wat minder. Hun interpretatie van het lentefeest mogen ze zelf houden. Ik gun iedereen dat van harte. Ik betreur enkel wel dat ze hun religie met grof geweld hebben opgelegd aan mijn voorouders. Het gevolg is dat veel te weinig mensen nog kennis hebben van de prachtige en rijke Germaanse cultuur. Maar u heeft nog tijd: het Germanen deelden het jaar in twee seizoenen, zomer en winter. Het begin van de zomer werd gevierd gedurende de maand april—het daadwerkelijke begin van de zomer was op de eerste mei.
Dit hebben de Christenen ook overgenomen, althans in Duitsland, door de nacht van 30 april op één mei te portretteren als een heksennacht—Walpurgissnacht. Dat grijpt terug op het Germaanse geloof dat zomer de tijd van leven en licht is, en winter de tijd van dood en duisternis. Op de laatste nacht vóór de zomer kon de duisternis nog één keer om zich heen grijpen. (Overigens ligt het aantal ongelukken en sterfgevallen in de laatste dagen van april inderdaad onevenredig hoog, en daar is nooit een verklaring voor gevonden.)
De Germanen namen in ieder geval het zekere voor het onzekere: gedurende april hielden ze feesten ter ere van Ôstara. De maand die wij april noemen heette zelfs Ôstarmânoth: de maand van Ôstara. Door deze godin van licht en leven te eren wilde men het duister bezweren, zodat de zomer kon aanbreken. In de laatste nacht van de wintertijd werden grote vuren ontstoken, die de hele nacht bleven branden, en zo werd de duisternis op afstand gehouden. In het noorden en oosten van ons land zien we die traditie nog terug in de paasvuren.
In ieder geval: ik ben er wellicht nogal vroeg mee, maar ik wens u alvast een gelukkig Oosterfeest, en een lange, warme zomer. Bij mij zal het vuur branden, op de laatste nacht vóór de tijd van zomer. Bij u ook? Ik hoop het van harte: laten we ons niet helemaal doodstaren op de gekerstende cultuurvormen van onze beschaving, en ook wat meer oog hebben voor de aloude Germaanse elementen, die beslist nog aanwezig zijn.
---
De discussiedraad op Facebook over dit artikel bevindt zich hier.
Labels:
Christendom,
geloof,
Germaans verleden,
geschiedenis,
Ooster,
Pasen
vrijdag 21 december 2012
Een Onchristelijke Wereld
Een Onchristelijke Wereld
Wat als de man die wij Jezus noemen nooit geboren was?
Voorwoord
Vandaag, de eenentwintigste december, is een dag waaraan al
sinds de oudheid groot belang wordt toegekend. Terecht, want het is de datum
van de zonnewende die iedere winter de kortste dag markeert. Vanaf morgen
worden de dagen weer langer, keert het licht terug, nadert de zomer. Het is
niet voor niets dat de Mayakalender op deze dag afloopt (hetgeen in hun
kosmologie overigens niet het einde van de wereld betekent, maar de aanvang van
een nieuwe era). Het is niet voor niets dat talrijke volkeren in de oudheid hun
winterfeest vierden op deze dag, hun feest van licht en leven. De Germanen
vierden het Joelfeest, de Romeinen hielden op deze dag de Saturnaliën.
Het is niet voor niets dat de Christenen rond deze tijd de
geboorte van hun messias vieren. Niet omdat Jezus in de winter geboren is, maar
specifiek om het feest samen te laten vallen met de heidense lichtfeesten —
zodat deze makkelijker door het Christendom gecoöpteerd konden worden. (Wie
denkt dat er tegenwoordig een commercialisering van het kerstfeest plaatsvindt
kan dus maar beter in gedachte houden dat het hele feest vanaf het begin al
stoelt op een slinkse marketingtruc.) De enige reden dat Kerstmis op de 25ste
valt, en niet op de ware datum van de zonnewende, is vanwege latere
kalenderaanpassingen. Wanneer Jezus nou echt geboren is zullen we wel
nooit meer kunnen achterhalen.
Hoe het ook zij, de Christenen vieren zijn geboorte
tegenwoordig in december, en daarmee zijn deze dagen, de kortste en donkerste
dagen van het jaar, het moment bij uitstek om eens stil te staan bij de enorme
invloed die deze geboorte heeft gehad op de wereld zoals wij die kennen. Ik
durf te stellen dat er nauwelijks gebeurtenissen zijn die van grotere invloed
zijn geweest. We leven, zeker in het Westen, in een wereld die in zeer
verregaande mate is gevormd door het Christendom. Onze wereld is een
Christelijke wereld. Onze aannames, onze dogma’s, onze morele en ethische
opvattingen en onze politieke vanzelfsprekendheden zijn — direct of indirect —
producten van een Christelijke belevingswereld.
We zijn ons daar zelden echt van bewust. We staan er niet
bij stil, omdat de maatschappij waarin we leven onze enige referentie is. We
kennen niets anders dan deze wereld, en daarom zijn we blind voor het feit dat
onze visie op de maatschappij, de geschiedenis, de moraal, de ethiek etc. etc.
zeer sterk is gevormd door van oorsprong Christelijke aannames. Hoe kunnen we
dan ooit tot objectief inzicht komen? Pas als we beseffen dat, en in hoeverre,
we door iets beïnvloed worden kunnen we daar rekening mee houden en objectief
denken. We moeten ons dan afvragen: hoe, en in hoeverre, heeft het Christendom
onze wereld gevormd?
De historicus Niall Ferguson gebruikt een uiterst
interessante methode om dergelijke vragen te benaderen: om de invloed van een
gebeurtenis te analyseren vraagt hij zich af wat er gebeurt zou zijn als deze
gebeurtenis nooit had plaatsgevonden. In zijn boek The Pity of War
gebruikt hij deze methode (die hij virtual history noemt) om een aantal
aannames inzake de Eerste Wereldoorlog kritisch te bestuderen. Deze aanpak
dwingt een onderzoeker om de materie vanuit een totaal andere invalshoek te
benaderen — hetgeen uiterst bevorderlijk is voor het loslaten van dogmatische
premissen.
Om onze eigen, Christelijke, wereld objectiever te benaderen
zou het best wel eens raadzaam kunnen zijn om ons af te vragen wat er geworden
zou zijn van onze geschiedenis, onze cultuur, onze wereld, als er geen
Christendom bestond. Als Jezus nooit geboren was. Er zijn al grote aantallen
boeken geschreven — variërend van nauwkeurige geschiedkunde tot pure fictie —
waarin men zich afvraagt wat er gebeurd zou zijn als een cruciale gebeurtenis anders
zou zijn verlopen. Hoe vaak heeft men zich niet afgevraagd hoe een wereld
zonder Hitler er uit had gezien? (Daar zijn al snel een paar honderd boeken
over geschreven.) Een boek of serieus essay dat gaat over een wereld zonder Jezus
heb ik echter nog nooit gezien. Wellicht bestaat het, maar het is mij niet
bekend. Duidelijk houdt het de gemoederen merkbaar minder bezig. Terwijl de
invloed van Jezus op onze wereld toch echt ontelbare malen groter is geweest
dan die van Hitler. (En ik schroom niet om daar aan toe te voegen: godzijdank!)
Ik heb vaker zeer interessante gesprekken en discussie
gevoerd over de invloed van het Christendom op onze wereld. Het is een
onderwerp dat mij — en, gezien die gesprekken, ook anderen — weet te boeien.
Vandaar dit essay, waarin ik tracht de vraag te beantwoorden: wat als de man
die wij Jezus noemen nooit geboren was? Ik zal hier een portret schetsen
van een Onchristelijke wereld. Vanzelfsprekend is het antwoord op de vraag “wat
zou er gebeurd zijn als…?” per definitie een vorm van speculatie. Ook een
pionier op het gebied, zoals Niall Ferguson, geeft dat direct toe. Aan de
andere kant, er zijn heel wat mensen die ook de inhoud van de bijbel zouden
kenmerken als een vorm van speculatie — dus door dergelijke bezwaren hoeven we
ons niet te laten weerhouden.
In dit essay pretendeer ik tevens niet de
Onchristelijke wereld te beschrijven, maar één mogelijke Onchristelijke
wereld. Niet de gang van zaken die zonder twijfel zou hebben bestaan,
ware het Christendom nooit opgekomen, maar een geschiedenis die had kunnen
bestaan. Een gang van zaken die ik, op basis van de historische werkelijkheid,
het meest waarschijnlijk acht. Natuurlijk kan ik niet met zekerheid zeggen hoe
een versmelting van Germaanse en Romeinse religie in een Onchristelijk Italië
onder de Ostrogoten zou hebben uitgepakt (om maar een voorbeeld te noemen). Ik
kan enkel beargumenteren dat zo’n syncretische ontwikkeling zou hebben
plaatsgevonden. Mijn duiding van hoe zo’n religie er ongeveer uit zou hebben
gezien heb ik toegevoegd om de door mij geschetste wereld wat levendigheid te
geven. U mag het couleur locale noemen.
Bij alles dat ik mijn lezers voorspiegel zal ik eerst
vertellen waarom ik geloof dat het zo gegaan zou zijn, en niet anders:
ik onderbouw de wereld die ik met fantasie schets door middel van feitelijke
observaties uit de ons welbekende geschiedenis. Ieder “hoofdstuk” van de
Onchristelijke geschiedenis die ik opteken wordt voorafgegaan door een analyse
die ik baseer op concrete feiten uit onze eigen geschiedenis — die zo sterk
gevormd is door het Christendom. Ik zal trachten die vorming, en de gevolgen
ervan, helder weer te geven. Mijn hoop is dat daarmee ook de gevolgen van een absentie
van het Christendom zichtbaar worden.
Hier, dan, volgt een dubbelportret van twee werelden. De
onze, zo ingrijpend gevormd door het Christendom — en een andere,
Onchristelijke wereld, die ook door geheel andere krachten is gevormd.
Labels:
Byzantium,
Christendom,
filosofie,
geloof,
geschiedenis,
Gnosticisme,
Hermetiek,
Ideeënleer,
Ideeënwereld,
Imperium,
Klassieke Oudheid,
metafysica,
Neoplatonisme,
Plato,
religie,
Rome,
virtual history
Abonneren op:
Posts (Atom)

