Posts tonen met het label Germaans verleden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Germaans verleden. Alle posts tonen

donderdag 21 augustus 2014

De grote vrijheid van het Gemenebest IJsland



De vrijwillige samenleving in de praktijk

De voorstanders van overheidsmacht, die variëren van totalitaire collectivisten tot pleitbezorgers van de minimale nachtwakersstaat, vinden zich verenigd in hun afwijzing van een volledig vrije en vrijwillige samenleving. Het voluntaristische ideaal van een maatschappij waarin alle interacties tussen mensen berusten op de vrijwillige instemming van alle betrokkenen heeft volgens deze critici nog nooit bestaan. Om te beginnen is een dergelijke argumentatie als discussietactiek intellectueel oneerlijk: een idee dat nog nooit eerder is uitgevoerd kan geen praktijkvoorbeelden tonen. Betekent dit dat het dus nooit uitgevoerd mag worden? Men mag aannemen dat voor alles een eerste keer bestaat, en dat innovatie de bron van alle vooruitgang is.

Daarnaast is de stelling dat het voluntarisme (ook wel: anarchokapitalisme) nooit heeft bestaan simpelweg incorrect. Het heeft op lokale schaal regelmatig bestaan, over de hele wereld, de afgelopen 6000 jaar. Het bleek consequent goed en vreedzaam te functioneren, maar juist de kleinschaligheid maakte de voluntaire gemeenschappen kwetsbaar voor verovering en onderwerping door minder vrijheidslievende entiteiten. Deze zwakte tegenover agressie van buitenaf bleek keer op keer de doodssteek voor kleine voluntaristische communes. Dat deze zwakte puur voortkwam uit de kleine schaal van dergelijke gemeenschappen, en niet te maken had met hun vrijwillige organisatievorm, wordt afdoende bewezen door het feit dat kleine gemeenschappen die zich wel van een overheid bedienen óók kwetsbaar bleven voor verovering.

Nog overtuigender bewijs dat een voluntaristische samenleving op grotere schaal veel minder kwetsbaar zou zijn voor verovering van buitenaf wordt echter geleverd door de geschiedenis. Om precies te zijn door het simpele feit dat het voluntarisme de basis geweest van een gehele samenleving, die 392 jaar lang heeft bestaan. Het Gemenebest IJsland heeft in de middeleeuwen, in een periode dat de rest van Europa voortdurend werd verscheurd door oorlogen tussen allerlei overheden, in vrede en welvaart kunnen bestaan. Zonder leger. Zonder politie. Zonder wetboek. Zonder dat er ook maar een cent belasting naar een overheid ging. (Ter vergelijking: de Verenigde Staten van Amerika bestaan pas 238 jaar. Het zou nogal gewaagd zijn om een samenleving die het 154 jaar langer volhield zomaar af te serveren als een soort “experiment”.)

De enige reden dat het Gemenebest uiteindelijk ophield te bestaan is, interessant genoeg, dat men de vergissing had gemaakt bepaalde regels in te voeren, die als wetten werden gezien, en dat men na de Kerstening afdrachten was gaan betalen aan de Kerk. Niet de absentie van wetten en belastingen waren het probleem, maar de sluipende invoering ervan via de achterdeur. Dit artikel zal pogen een beeld te geven van de geschiedenis van het Gemenebest, van de vrije en ongedwongen maatschappij die daar bestond, en van de verkeerde inschattingen die tot de ondergang van dat systeem hebben geleid. De inzichten die daaruit voorkomen zullen van groot belang zijn bij enige poging om vandaag de dag een vrije maatschappij in te richten.

zondag 31 maart 2013

Pasen? Ooster!

Net als de meeste Christelijke feesten is Pasen voor een groot deel een amalgaam van oudere tradities, die de Christenen hebben overgenomen van andere geloven. Er is niet heel veel authentieks aan: net als het gehele Christendom is het paasfeest een toonbeeld van een over de jaren bijeengeraapte mythologie, ontdaan van de wortels. Daardoor mist het nu toch echt iets: als een fraai bos bloemen, dat wellicht mooi op tafel staat, maar waarvan de stengels niet meer met de aarde zijn verbonden. Vergeef me derhalve, maar ik wens u geen zalig Pasen. In plaats daarvan beroep ik mij op een oudere traditie: ik wens u een gelukzalig Ooster.

Dat woord herkent u wellicht aan de hand van de Engelse naam van Pasen: Easter. Het is een pre-Christelijke term, die verwijst naar de Germaanse godin Ôstara. In de Angelsaksische talen, de voorlopers van het Engels, heette zij Ēostre of Ēastre. Dat deze naam op de woorden “oosten” en “east” lijkt is niet toevallig: haar feest was het lentefeest, de viering van het nieuwe licht. En iedereen weet dat de zon, bron van al het licht, opkomt in het oosten. De woorden Ôstara, Easter, oosten etc. zijn hoogstwaarschijnlijk allemaal afgeleid van het Proto-Indo-Europese woord voor zonsopkomst, Ausṓs.

Dergelijke lentefeesten zijn heel oud, net als het archetype van de lentegodin. Bijna alle Indo-Europese culturen hebben een dergelijke traditie, en de Christenen hebben de datum van hun feestje gewoon aangepast om daar mee samen te vallen (op dezelfde manier dat ze hun kerstfeest bewust lieten samenvallen met de midwinterviering). In het Engels hebben ze, zoals wel blijkt, zelfs de naam niet eens aangepast.

Dus nee, met dat Christelijke feestgebeuren heb ik toch wat minder. Hun interpretatie van het lentefeest mogen ze zelf houden. Ik gun iedereen dat van harte. Ik betreur enkel wel dat ze hun religie met grof geweld hebben opgelegd aan mijn voorouders. Het gevolg is dat veel te weinig mensen nog kennis hebben van de prachtige en rijke Germaanse cultuur. Maar u heeft nog tijd: het Germanen deelden het jaar in twee seizoenen, zomer en winter. Het begin van de zomer werd gevierd gedurende de maand april—het daadwerkelijke begin van de zomer was op de eerste mei.

Dit hebben de Christenen ook overgenomen, althans in Duitsland, door de nacht van 30 april op één mei te portretteren als een heksennacht—Walpurgissnacht. Dat grijpt terug op het Germaanse geloof dat zomer de tijd van leven en licht is, en winter de tijd van dood en duisternis. Op de laatste nacht vóór de zomer kon de duisternis nog één keer om zich heen grijpen. (Overigens ligt het aantal ongelukken en sterfgevallen in de laatste dagen van april inderdaad onevenredig hoog, en daar is nooit een verklaring voor gevonden.)

De Germanen namen in ieder geval het zekere voor het onzekere: gedurende april hielden ze feesten ter ere van Ôstara. De maand die wij april noemen heette zelfs Ôstarmânoth: de maand van Ôstara. Door deze godin van licht en leven te eren wilde men het duister bezweren, zodat de zomer kon aanbreken. In de laatste nacht van de wintertijd werden grote vuren ontstoken, die de hele nacht bleven branden, en zo werd de duisternis op afstand gehouden. In het noorden en oosten van ons land zien we die traditie nog terug in de paasvuren.

In ieder geval: ik ben er wellicht nogal vroeg mee, maar ik wens u alvast een gelukkig Oosterfeest, en een lange, warme zomer. Bij mij zal het vuur branden, op de laatste nacht vóór de tijd van zomer. Bij u ook? Ik hoop het van harte: laten we ons niet helemaal doodstaren op de gekerstende cultuurvormen van onze beschaving, en ook wat meer oog hebben voor de aloude Germaanse elementen, die beslist nog aanwezig zijn.

---

De discussiedraad op Facebook over dit artikel bevindt zich hier.