Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen

maandag 30 november 2015

Westerse Waarden



Dit artikel is origineel geschreven in samenwerking met Henri Serton, als eerste aanzet voor de website De Nachtwakers. Het verschijnt hier in licht bewerkte vorm (hoewel ik gekozen heb mijn gebruikelijke archaïsche spellingswijze achterwege te laten, net als in het origineel).



Beschaving is geen vanzelfsprekendheid. Het is een vlam die moet leven in de harten van de mensen; een vuur dat moet branden om een cultuur [1] te verlichten. Niet alle culturen zijn in gelijke mate beschaafd, en het simpele feit dat die uitspraak vandaag de dag controverse oproept is een teken aan de wand. Het is een indicatie dat de vlam van de Westerse beschaving aan het uitdoven is. Politieke beraadslagingen, culturele uitingen, gesprekken op straat en berichten in de media zijn doordrenkt met relativisme, nihilisme en defaitisme. Dankbaar zijn voor de verdiensten van de Westerse cultuur heet tegenwoordig “reactionair”. Trots zijn op de Westerse cultuur is taboe; het “weg-met-ons” is tot een mantra verheven. Het wordt tijd dat iemand dit zwartgallige wereldbeeld trotseert. Want wij mogen trots zijn. Wij mogen de feiten benoemen, zonder dat we bang hoeven te zijn het etiket “politiek incorrect” opgeplakt te krijgen. Het moet zelfs, in tijden als deze.
Het is tijd dat de mensen die dit begrijpen zich verenigen in het streven om de Westerse waarden, tradities en vrijheden uit te dragen, te verdedigen en waar nodig in ere te herstellen. In deze donkere tijden zijn er mensen nodig die de vlam van de Westerse cultuur in leven houden. Maar wat bedoelen we precies, wanneer we het hebben over de ‘Westerse cultuur’? Wat zijn de kenmerken van deze cultuur, en waarom is juist deze cultuur—méér dan alle andere culturen—het verdedigen waard?

vrijdag 21 december 2012

Een Onchristelijke Wereld





Een Onchristelijke Wereld

Wat als de man die wij Jezus noemen nooit geboren was?




Voorwoord


Vandaag, de eenentwintigste december, is een dag waaraan al sinds de oudheid groot belang wordt toegekend. Terecht, want het is de datum van de zonnewende die iedere winter de kortste dag markeert. Vanaf morgen worden de dagen weer langer, keert het licht terug, nadert de zomer. Het is niet voor niets dat de Mayakalender op deze dag afloopt (hetgeen in hun kosmologie overigens niet het einde van de wereld betekent, maar de aanvang van een nieuwe era). Het is niet voor niets dat talrijke volkeren in de oudheid hun winterfeest vierden op deze dag, hun feest van licht en leven. De Germanen vierden het Joelfeest, de Romeinen hielden op deze dag de Saturnaliën.

Het is niet voor niets dat de Christenen rond deze tijd de geboorte van hun messias vieren. Niet omdat Jezus in de winter geboren is, maar specifiek om het feest samen te laten vallen met de heidense lichtfeesten — zodat deze makkelijker door het Christendom gecoöpteerd konden worden. (Wie denkt dat er tegenwoordig een commercialisering van het kerstfeest plaatsvindt kan dus maar beter in gedachte houden dat het hele feest vanaf het begin al stoelt op een slinkse marketingtruc.) De enige reden dat Kerstmis op de 25ste valt, en niet op de ware datum van de zonnewende, is vanwege latere kalenderaanpassingen. Wanneer Jezus nou echt geboren is zullen we wel nooit meer kunnen achterhalen.

Hoe het ook zij, de Christenen vieren zijn geboorte tegenwoordig in december, en daarmee zijn deze dagen, de kortste en donkerste dagen van het jaar, het moment bij uitstek om eens stil te staan bij de enorme invloed die deze geboorte heeft gehad op de wereld zoals wij die kennen. Ik durf te stellen dat er nauwelijks gebeurtenissen zijn die van grotere invloed zijn geweest. We leven, zeker in het Westen, in een wereld die in zeer verregaande mate is gevormd door het Christendom. Onze wereld is een Christelijke wereld. Onze aannames, onze dogma’s, onze morele en ethische opvattingen en onze politieke vanzelfsprekendheden zijn — direct of indirect — producten van een Christelijke belevingswereld.

We zijn ons daar zelden echt van bewust. We staan er niet bij stil, omdat de maatschappij waarin we leven onze enige referentie is. We kennen niets anders dan deze wereld, en daarom zijn we blind voor het feit dat onze visie op de maatschappij, de geschiedenis, de moraal, de ethiek etc. etc. zeer sterk is gevormd door van oorsprong Christelijke aannames. Hoe kunnen we dan ooit tot objectief inzicht komen? Pas als we beseffen dat, en in hoeverre, we door iets beïnvloed worden kunnen we daar rekening mee houden en objectief denken. We moeten ons dan afvragen: hoe, en in hoeverre, heeft het Christendom onze wereld gevormd?

De historicus Niall Ferguson gebruikt een uiterst interessante methode om dergelijke vragen te benaderen: om de invloed van een gebeurtenis te analyseren vraagt hij zich af wat er gebeurt zou zijn als deze gebeurtenis nooit had plaatsgevonden. In zijn boek The Pity of War gebruikt hij deze methode (die hij virtual history noemt) om een aantal aannames inzake de Eerste Wereldoorlog kritisch te bestuderen. Deze aanpak dwingt een onderzoeker om de materie vanuit een totaal andere invalshoek te benaderen — hetgeen uiterst bevorderlijk is voor het loslaten van dogmatische premissen.

Om onze eigen, Christelijke, wereld objectiever te benaderen zou het best wel eens raadzaam kunnen zijn om ons af te vragen wat er geworden zou zijn van onze geschiedenis, onze cultuur, onze wereld, als er geen Christendom bestond. Als Jezus nooit geboren was. Er zijn al grote aantallen boeken geschreven — variërend van nauwkeurige geschiedkunde tot pure fictie — waarin men zich afvraagt wat er gebeurd zou zijn als een cruciale gebeurtenis anders zou zijn verlopen. Hoe vaak heeft men zich niet afgevraagd hoe een wereld zonder Hitler er uit had gezien? (Daar zijn al snel een paar honderd boeken over geschreven.) Een boek of serieus essay dat gaat over een wereld zonder Jezus heb ik echter nog nooit gezien. Wellicht bestaat het, maar het is mij niet bekend. Duidelijk houdt het de gemoederen merkbaar minder bezig. Terwijl de invloed van Jezus op onze wereld toch echt ontelbare malen groter is geweest dan die van Hitler. (En ik schroom niet om daar aan toe te voegen: godzijdank!)

Ik heb vaker zeer interessante gesprekken en discussie gevoerd over de invloed van het Christendom op onze wereld. Het is een onderwerp dat mij — en, gezien die gesprekken, ook anderen — weet te boeien. Vandaar dit essay, waarin ik tracht de vraag te beantwoorden: wat als de man die wij Jezus noemen nooit geboren was? Ik zal hier een portret schetsen van een Onchristelijke wereld. Vanzelfsprekend is het antwoord op de vraag “wat zou er gebeurd zijn als…?” per definitie een vorm van speculatie. Ook een pionier op het gebied, zoals Niall Ferguson, geeft dat direct toe. Aan de andere kant, er zijn heel wat mensen die ook de inhoud van de bijbel zouden kenmerken als een vorm van speculatie — dus door dergelijke bezwaren hoeven we ons niet te laten weerhouden.

In dit essay pretendeer ik tevens niet de Onchristelijke wereld te beschrijven, maar één mogelijke Onchristelijke wereld. Niet de gang van zaken die zonder twijfel zou hebben bestaan, ware het Christendom nooit opgekomen, maar een geschiedenis die had kunnen bestaan. Een gang van zaken die ik, op basis van de historische werkelijkheid, het meest waarschijnlijk acht. Natuurlijk kan ik niet met zekerheid zeggen hoe een versmelting van Germaanse en Romeinse religie in een Onchristelijk Italië onder de Ostrogoten zou hebben uitgepakt (om maar een voorbeeld te noemen). Ik kan enkel beargumenteren dat zo’n syncretische ontwikkeling zou hebben plaatsgevonden. Mijn duiding van hoe zo’n religie er ongeveer uit zou hebben gezien heb ik toegevoegd om de door mij geschetste wereld wat levendigheid te geven. U mag het couleur locale noemen.

Bij alles dat ik mijn lezers voorspiegel zal ik eerst vertellen waarom ik geloof dat het zo gegaan zou zijn, en niet anders: ik onderbouw de wereld die ik met fantasie schets door middel van feitelijke observaties uit de ons welbekende geschiedenis. Ieder “hoofdstuk” van de Onchristelijke geschiedenis die ik opteken wordt voorafgegaan door een analyse die ik baseer op concrete feiten uit onze eigen geschiedenis — die zo sterk gevormd is door het Christendom. Ik zal trachten die vorming, en de gevolgen ervan, helder weer te geven. Mijn hoop is dat daarmee ook de gevolgen van een absentie van het Christendom zichtbaar worden.

Hier, dan, volgt een dubbelportret van twee werelden. De onze, zo ingrijpend gevormd door het Christendom — en een andere, Onchristelijke wereld, die ook door geheel andere krachten is gevormd.

donderdag 29 november 2012

Op zoek naar de waarheid




Plato, Aristoteles, en het realiteitsbesef van de Westerse filosofie

Wat is waarheid? Uiteindelijk is dat de meest fundamentele vraag van de filosofie. Niet “wie ben ik?” of “wat is de zin van het leven?” of enige andere existentiële vraag. Om vragen over het bestaan te stellen, moeten we eerst weten wat echt bestaat, en wat de aard van dat bestaan is. Wat is wáár? Wat is echt? Wat is werkelijkheid?

De grondleggers van de Westerse filosofische traditie – Socrates, Plato en Aristoteles – hielden zich al bezig met deze vraag, hoewel ze niet tot dezelfde conclusies kwamen. We kennen Socrates enkel via de werken van Plato, waarin Plato de Socratische leer verdedigt. Er bestaat zelfs de theorie dat Socrates nooit bestaan heeft, en een verzinsel van Plato was, om diens eigen denkbeelden uit te dragen. Of dit het geval is geweest is onmogelijk na te gaan, maar het is in ieder geval een feit dat Plato en Socrates één hoofdstroming in het Westerse realiteitsbesef vertegenwoordigen, terwijl Aristoteles de andere hoofdstroming belichaamt.

dinsdag 24 juli 2012

Rechten en Plichten

Het wordt vaak beweerd dat ieder mens rechten en plichten heeft. Maar welke rechten hebben we dan, en welke plichten? Wat zijn rechten en plichten eigenlijk? Daarover is dikwijls veel discussie. Tijd om er een libertarische blik op te werpen.

zaterdag 30 april 2011

De Rationele Geest

Truth is the proper and sufficient antagonist to error, and has nothing to fear from the conflict unless by human interposition disarmed of her natural weapons, free argument and debate, errors ceasing to be dangerous when it is permitted freely to contradict them.”

– Thomas Jefferson, in het door hem opgestelde Virginia Statute of Religious Freedom, van 1779 (en bij wet ingevoerd in 1786)


Wat de menselijke soort uniek maakt, is onze ongeëvenaarde mate van bewustzijn. We hebben een ontwikkeld verstand, zodat we in staat zijn om onszelf en onze wereld niet alleen te observeren, maar óók om het geobserveerde te analyseren, te rationaliseren. Dit is de basis van onze kennisverwerving, en daarmee van onze geestelijke groei – als individu én als soort.

Dat wij rationeel kunnen handelen, betekent echter niet dat wij dit ook (altijd) doen. Mensen zijn nog steeds uit de boom gevallen apen, en hoewel we zijn opgekrabbeld, en nu langzaam bij die boom vandaan reizen; ons verstand is beperkt. Dat is geen schande, overigens, het is slechts een feit. De menselijke geest is hiermee het toneel van een krachtmeting tussen instinct en bewustzijn.

De mens die zijn bewustzijn niet uitoefent, kan heel snel ten prooi vallen aan irrationaliteit. Dit vindt zijn uiting in dogmatisme: men gaat dan dingen geloven die de toets der logica niet kunnen weerstaan, maar verwerpt bij die botsing de logica, en niet de misvattingen. Ik doel hiermee overigens niet op menselijke overtuigingen of vormen van geloof: in mijn ogen hoeft een geloof geen dogma te zijn.

Sterker nog: óók geloof is een product van ons bewustzijn. Niet alleen het geloof in bijvoorbeeld een god, maar onze neiging om het onbekende te willen verklaren, om iedere leegte te willen vullen. Geloof en wetenschap dienen daarin een soortgelijk doel: het brengen van licht waar het nog donker is, opdat wij kunnen zien.

Er zijn verstokte atheïsten die volhouden dat geloof onzin is. Waarom iets verdedigen dat je niet kan bewijzen, zoals het bestaan van god? Daar werp ik tegen in dat het net zo min bewezen is dat god niet bestaat. Bovendien zou je voor een zinnige discussie eerst overeenstemming moeten bereiken over wat “god” dan is: het bestaan van een man met een lange witte baard die op een wolk woont is – in het licht van onze kennis – nogal onwaarschijnlijk. Het bestaan van een nog onbegrepen energie waar wij allemaal deel van uitmaken is echter helemaal niet onrealistisch.

Degene die een dergelijke mogelijkheid glashard ontkent, is net zo dwaas en dogmatisch bezig als degene die zonder enige twijfel of argumentatie aanneemt dat de gehele Bijbel letterlijk gelezen moet worden.

We kunnen een voorbeeld nemen aan Thomas Jefferson, die zijn hele leven gefascineerd was door de verhouding tussen geloof en rationaliteit. Hij was een oprechte vrijdenker, een zoon van de Verlichting, en dit vormde zijn beschouwing van de wereld. Eén van zijn grote voorbeelden was John Locke, de vader van de empirische benadering: we weten alléén zeker wat we zélf hebben kunnen observeren en verifiëren, de rest kunnen we slechts vermoeden, op basis van een zekere mate van waarschijnlijkheid. Deze rationele wereldbeschouwing sluit geen enkel geloof bij voorbaat uit, en toch is het de basis van de wetenschappelijke methode.

Door de wetenschappelijke methode consequent toe te passen, beschouwen we de wereld rationeel, en voorkomen we de valstrik van het dogmatisme. De wetenschappelijke methode is immers de geformaliseerde evolutie van onze kennis: het is een zelfcorrigerend en constant ontwikkelend systeem. Daardoor verwerpt het geslotenheid en dogmatisme, en richt het zich juist op openheid en vernieuwing. Jefferson zag dit als de basis van de menselijke vooruitgang. In 1787 schreef hij in een brief aan zijn neef, Peter Carr: “Shake off all of the fears and servile prejudices under which weak minds are servilely crouched. Fix reason firmly in her seat and call to her tribunal every fact, every opinion. Question with boldness even the existence of God because, if there be one, he must more approve of the homage of reason than that of blindfolded fear.”

Jefferson pleitte voortdurend voor een kritische blik. Zowel de aanname dat een god zou bestaan, als de aanname dat dit niet zo zou zijn, vond hij voorbarig. We zouden allemaal op rationele wijze moeten streven naar vergroting van onze kennis, en dan zou de waarheid vanzelf aan het licht komen. Pas wanneer mensen zich afsluiten voor bepaalde mogelijkheden, ontstaat er immers een probleem.

De conclusie is onvermijdelijk. Wie het onbekende, het (nog) onbewezene, bij voorbaat uitsluit, bedrijft geen wetenschap – slechts een nieuwe vorm van dogmatisme. En wie blindelings vasthoudt aan een religieus standpunt, ook als de onwaarheid ervan feitelijk bewezen is, handelt niet uit geloof – maar juist uit ontkenning van de werkelijkheid.

Het blijkt dat de “tegenstelling” tussen geloof en wetenschap een kunstmatige is: ze zijn allebei gericht op het vergroten van ons begrip. De ware antithese van onze kennis ligt in het dogmatisme, omdat dit juist leidt tot het afsluiten van onze geest, waardoor onze kennis niet meer groeit. Het is dan ook mijn opvatting dat dogmatisme een soort handicap is: het maakt niet je ogen blind, maar je verstand.

Dogmatisme kan overal opduiken – met hetzelfde gemak in de wetenschap als in het geloof – maar het heeft geen schijn van kans als we vertrouwen op ons eigen verstand. Als we open staan voor alle mogelijkheden, ze ook allemaal kritisch beschouwen, en geen definitieve conclusies trekken totdat er sluitend bewijs is. Dan stappen we met gemak voorbij iedere kunstmatige tegenstelling, en zien we dat geloof en wetenschap allebei wortels hebben in de geest van onze rationaliteit, en in het hart van onze verwondering.

zondag 20 februari 2011

Het Belang van Eigendom

Eigendom is diefstal, beweerde de proto-anarchist Pierre-Joseph Proudhon. Want alles hoort voor eenieder beschikbaar te zijn, dus wie iets voor zichzelf houdt, zonder te delen, 'steelt' van alle anderen. Zelfs Karl Marx vond dit een bespottelijke drogredenering, al ware het omdat hij (heel logisch) concludeerde dat je iets alleen kan stelen als het aan iemand toebehoort. Als alles dus al aan iedereen toebehoort, dan kan je helemaal niets stelen. Marx probeerde met die observatie de nobiliteit van collectief eigendom aan te tonen, maar onbewust illustreerde hij juist de onmogelijkheid van dat idee, en het immense belang van individueel eigendom. Ook vandaag, in het moderne Nederland, staat het eigendomsrecht echter nog regelmatig ter discussie. Krakers scanderen de leuze van Proudhon zonder er ook maar een snars van te begrijpen. Als eigendomsrecht wordt afgeschaft, is iedereen in de aap gelogeerd – zij zelf als eerste.

Ze houden zichzelf voor de gek met een utopisch wereldbeeld waarin alles gedeeld wordt, en de “grote graaiers” niets meer kunnen “afpakken”. Als alles in collectief bezit is, dan bestaat er geen diefstal meer. Collectivisten weigeren de implicaties daarvan in te zien. Juist de absentie van eigendomsrechten zou de hele samenleving overleveren aan harteloze graaiers: als men geen bezit kan claimen, betekent dat namelijk automatisch dat degene met de meeste macht alles kan grijpen dat hij wil. Hij mag zich dan wel niet formeel eigenaar noemen, maar wie neemt het hem nog af? Wie vraagt nog: wat geeft je het recht om dit te nemen? Het is van niemand, dus wie het kan grijpen, mag het houden.

Eigendomsrecht is geen uitvinding van de machtigen der aarde, zoals de radicalen ons willen laten geloven: het is juist een bescherming van de zwakkeren tegen onderdrukking. Zonder een algemeen geldend eigendomsrecht, wordt diefstal juist de norm – omdat het geen diefstal meer mag heten, en dus niet meer bestraft mag worden. Daar wordt het echter niet minder schadelijk door. Het recht van de sterkste zal zegevieren. Korte tijd zullen de collectivisten inderdaad denken dat ze hun krakersparadijs hebben bereikt, terwijl ze alles plunderen en afpakken dat ze maar kunnen. Dan blijkt echter dat zij helemaal niet de sterkste zijn, en worden ze met bruut geweld uit “hun” kraakpanden gesmeten. Net als iedereen die zijn huis niet kan verdedigen tegen een andere, sterkere partij.

Het is niet voor niets dat John Locke steeds wéér hamerde op het belang van eigendom. Property was voor hem de basis van  een rechtvaardige samenleving, die kon steunen op de drie pijlers Life, Liberty en Estate. Ieder mens zou ten miste zijn eigen persoon moeten bezitten (Life), de vrijheid moeten hebben om zijn eigen leven naar wens in te richten (Liberty) en het recht moeten hebben om over de materiële en immateriële vruchten van zijn arbeid te beschikken (Estate).

Zonder het recht op eigendom zullen deze drie pijlers ineenstorten. De collectivisten die zich tegen eigendom verzetten doelen meestal uitsluitend op wat Locke de “Estate” noemde, en zeggen dat ze de arbeider verdedigen tegen “het kapitaal”. In realiteit verzetten ze zich tegen eigendom, en willen ze afpakken van iedereen die iets heeft (ongeacht of hij ervoor heeft gewerkt) en dit “herverdelen” onder de mensen die niets hebben (ook al hebben die nooit de handen uit de mouwen gestoken). Daarmee verklaren de collectivisten zich onbewust  tot vijand van de vrijheid en van het leven zelf.

Als er geen eigendom is, bezit je óók jezelf niet meer. Dan verlies je de vrijheid die wij als vanzelfsprekend zien, en kan een machthebber beschikken over jouw leven. In een wereld zonder eigendom zou de verdeling van kansen en van vrijheid oneerlijker zijn dan ooit. De ontwikkeling zou langzaam gaan, want wie zou nog iets duurzaams en waardevols opbouwen, als het schaamteloos kan worden afgenomen?

Als we ons besef van de waarde van eigendom en vrijheid kwijtraken, werpen we onszelf in het duister. Een samenleving die eigendom niet respecteert is per definitie oneerlijk, onproductief en onvrij. Het socialistische paradijs van de collectivisten is een hel voor ieder zinnig mens.