Vandaag is het precies 150 jaar geleden dat de tiran Abraham Lincoln werd neergeschoten door de patriot John Wilkes Booth.
Ja, dat leest u goed. Lincoln was een tiran, en Booth bewees de mensheid een dienst door hem uit de weg te ruimen. Ironisch genoeg bewees hij Lincoln óók een dienst, want juist door op dat moment te sterven werd het mogelijk dat Lincoln (ten onrechte!) tot een soort messias werd gebombardeerd.
De realiteit was anders. Zo ongeveer alles dat tegenwoordig over Lincoln wordt verteld is propaganda. Staat er bijvoorbeeld in geschiedenisboekjes dat Lincoln duizenden burgers zonder proces heeft laten doodschieten? Dat hij zelf verklaarde dat het bevrijden van de slaven hem weinig tot niets kon schelen? Dat hij tot zijn dood geloofde dat, op het moment dat de burgeroorlog gewonnen was, alle zwarten gedeporteerd(!) moesten worden naar Afrika?
Nee. Dat wordt op school niet verteld, en de meeste geschiedenisboeken slaan dat ook liever over. Maar het is wel waar. En daarom is John Wilkes Booth een held; een held die een tiran heeft omgebracht.
dinsdag 14 april 2015
zaterdag 4 april 2015
Politiek zonder partijen: van starre fracties naar vrije stromingen
Het presidium van de Tweede Kamer laat even een proefballonnetje op. Helaas is het een ballonnetje volgepompt met het staatsrechtelijke equivalent van gifgas.
Oké, dat klinkt vrij dramatisch, maar in dit geval is dat ook wel terecht. Want wat is er nu aan de hand? Naar aanleiding van de "toenemende fragmentatie in de politiek" stelt het presidium voor dat het voor Tweede Kamerleden die zich afsplitsen van hun eigen fractie onmogelijk moet worden om daarna een nieuwe fractie te beginnen. Naast zo'n verbod op het vormen van nieuwe fracties stelt het presidium nog meer veranderingen voor, zoals het inperken van de spreektijd voor Kamerleden, en het aantal mondelinge vragen dat mag worden gesteld.
Volgens het presidium kan dat allemaal heel gemakkelijk, en zelf zonder wetswijzigingen. Een "simpele aanpassing" van artikel 12 van het reglement van orde van de Kamer zou volstaan. Er is maar één bezwaar, en daar heeft het presidium het liever maar niet over: het hele plan is namelijk volstrekt ongrondwettelijk.
Oké, dat klinkt vrij dramatisch, maar in dit geval is dat ook wel terecht. Want wat is er nu aan de hand? Naar aanleiding van de "toenemende fragmentatie in de politiek" stelt het presidium voor dat het voor Tweede Kamerleden die zich afsplitsen van hun eigen fractie onmogelijk moet worden om daarna een nieuwe fractie te beginnen. Naast zo'n verbod op het vormen van nieuwe fracties stelt het presidium nog meer veranderingen voor, zoals het inperken van de spreektijd voor Kamerleden, en het aantal mondelinge vragen dat mag worden gesteld.
Volgens het presidium kan dat allemaal heel gemakkelijk, en zelf zonder wetswijzigingen. Een "simpele aanpassing" van artikel 12 van het reglement van orde van de Kamer zou volstaan. Er is maar één bezwaar, en daar heeft het presidium het liever maar niet over: het hele plan is namelijk volstrekt ongrondwettelijk.
maandag 9 februari 2015
Oorlog met Rusland? Pure waanzin!
Je zou denken dat vredesonderhandelingen moeten dienen om vrede te bereiken. De onderhandelingen tussen de Westerse mogendheden en Rusland—aangaande het huidige conflict tussen Oekraïne en de onafhankelijke confederatie van Nieuw-Rusland—lijken echter vooral gericht op het scheppen van een oorlogsstemming. Het moet gezegd worden: vooral de VS en EU maken zich hier schuldig aan. Het lijkt alsof men doelbewust afstevent op een gewapende confrontatie met Rusland.
Wolfgang Ischinger, de voorzitter van de internationale veiligheidsconferentie over het onderwerp, gaf afgelopen vrijdag al aan dat het Westen het regime in Kiev moet steunen door wapens te leveren. “Waarom niet? We grijpen Oekraïne met miljardensteun onder de oksels. Waarom zouden we ze niet helpen de verwoesting van hun grondgebied te voorkomen?”
In de praktijk betekent militaire steun aan Kiev dat het regime aldaar de middelen zal verkrijgen om genocide te plegen op de etnische Russen die zich hebben afgescheiden van Oekraïne. Vladimir Poetin heeft zich opgeworpen als beschermheer van alle Russen, dus hij zal in dat geval die mensen moeten beschermen. Dit zal door het Westen worden aangegrepen als casus belli, ook al is de Oekraïense regering feitelijk de agressor. Resultaat: oorlog tussen het Westen en Rusland. Allemaal vanwege een regionaal conflict, dat helemaal uit de hand loopt vanwege allianties die grotere mogendheden verplichten tot het steunen van één van de twee strijdende partijen. Dit is precies hoe de Eerste Wereldoorlog óók begon.
Wolfgang Ischinger, de voorzitter van de internationale veiligheidsconferentie over het onderwerp, gaf afgelopen vrijdag al aan dat het Westen het regime in Kiev moet steunen door wapens te leveren. “Waarom niet? We grijpen Oekraïne met miljardensteun onder de oksels. Waarom zouden we ze niet helpen de verwoesting van hun grondgebied te voorkomen?”
In de praktijk betekent militaire steun aan Kiev dat het regime aldaar de middelen zal verkrijgen om genocide te plegen op de etnische Russen die zich hebben afgescheiden van Oekraïne. Vladimir Poetin heeft zich opgeworpen als beschermheer van alle Russen, dus hij zal in dat geval die mensen moeten beschermen. Dit zal door het Westen worden aangegrepen als casus belli, ook al is de Oekraïense regering feitelijk de agressor. Resultaat: oorlog tussen het Westen en Rusland. Allemaal vanwege een regionaal conflict, dat helemaal uit de hand loopt vanwege allianties die grotere mogendheden verplichten tot het steunen van één van de twee strijdende partijen. Dit is precies hoe de Eerste Wereldoorlog óók begon.
zondag 18 januari 2015
Eigendom: het grondbeginsel
Er zijn dus mensen die niet geloven in grondeigendom. Ik bedoel niet keiharde socialisten die privaat eigendom totaal verwerpen. Die heb je ook, en het zijn dwazen, maar daar gaat het het nu even niet om. Ik heb het over mensen die wel geloven in privé-eigendom... behalve als het om grond gaat. "Want de aarde is van ons allemaal." Of zoiets.
Dat bestaat dus. En het is doodeng. Je eigen leven is vanzelfsprekend je meest fundamentele eigendom. Je lichaam en geest. Maar je geest zetelt in je lichaam, en je lichaam moet ergens verblijven. Ergens op aarde. Dus ons op één na belangrijkste bezit is: leefruimte. Het maakt niet uit of je die ruimte in eigendom hebt of huurt; ook als huurder steun je op het feit dat er een verhuurder is. Een eigenaar van de lap grond waar jouw woonruimte op staat.
Het eigendomsrecht op grond is simpelweg de basis van de beschaving. Het is het verschil tussen nomaden die moeten leven van de jacht en beschavingen die het land leren bewerken. Het is geen toeval dat landbouw, veeteelt, het idee van eigendomsrechten en het vermogen om te schrijven en een cultuur op te richten allemaal nauw verbonden zijn. Eigendomsrechten, en vooral eigendomsrechten aangaande grond, zijn het fundament van de beschaving.
Dat bestaat dus. En het is doodeng. Je eigen leven is vanzelfsprekend je meest fundamentele eigendom. Je lichaam en geest. Maar je geest zetelt in je lichaam, en je lichaam moet ergens verblijven. Ergens op aarde. Dus ons op één na belangrijkste bezit is: leefruimte. Het maakt niet uit of je die ruimte in eigendom hebt of huurt; ook als huurder steun je op het feit dat er een verhuurder is. Een eigenaar van de lap grond waar jouw woonruimte op staat.
Het eigendomsrecht op grond is simpelweg de basis van de beschaving. Het is het verschil tussen nomaden die moeten leven van de jacht en beschavingen die het land leren bewerken. Het is geen toeval dat landbouw, veeteelt, het idee van eigendomsrechten en het vermogen om te schrijven en een cultuur op te richten allemaal nauw verbonden zijn. Eigendomsrechten, en vooral eigendomsrechten aangaande grond, zijn het fundament van de beschaving.
Labels:
bezit,
eigendom,
geschiedenis,
grond,
land,
libertarisme,
natuurrecht,
voluntarisme
donderdag 4 december 2014
Per aspera ad astra
Dit is echt een filmpje dat iedereen wel even zou mogen bekijken. De belofte van de ruimtevaart, in crica drie minuten. Het hele gevoel van de science-fiction van halverwege de vorige eeuw wordt hier heel knap samengevat. En dat gevoel missen we vandaag de dag nogal, helaas.
Geconfronteerd met de irritaties van de dag, en soms stuitende domheid van sommige mensen anno nu, kan de toekomst soms troosteloos op ons overkomen. Maar de werkelijkheid is anders; de lange termijn biedt een perspectief dat alle schaduwen van het heden in een oogwenk achter ons laat wegvallen.
We vergeten dat pessimisme vandaag de dag 'en vogue' is; we vergeten dat we niet zo lang geleden nog durfden te dromen van een toekomst waarin de mens - als een moderne Prometheus gedreven door het vuur der kennis - zichzelf de hemel in zou lanceren om nieuwe werelden te gaan ontdekken.
Carl Sagan was een profeet van de 'Space Age'. Hij voorzag een mensheid die nieuwe koloniën zou stichten, voorbij de aarde. De laatste decennia lijken we die droom vergeten te zijn. NASA heeft tegenwoordig niet eens meer de capaciteit om een mens de ruimte in te lanceren.
Maar er is hoop. Commerciële partijen, geleid door visionaire ondernemers die groot zijn geworden met de boeken van Heinlein en Asimov, zijn hun eigen ruimtevaartprogramma's begonnen. Voor het eerst in jaren lonkt de ruimte weer, en strekt de toekomst zich weer hoopvol voor ons uit.
Deze geweldige korte film, met voice-over van Sagan, illustreert de mentaliteit van het toekomstoptimisme perfect. Weg met de zwartgallige voorspellingen van kommer en kwel! Ook wanneer het even tegenzit, zal iedere beproeving uiteindelijk een les zijn waar we sterker, beter en wijzer van worden.
Labels:
Carl Sagan,
link,
ruimtevaart,
toekomst
vrijdag 21 november 2014
Gratis geld bestaat niet (herziene uitgave)
Dit is een herziene uitgave van mijn eerdere essay inzake het zogenaamde basisinkomen. Naar aanleiding van dat kritische artikel, hier gepubliceerd op 1 Augustus 2014, heb ik meerdere reacties ontvangen van diverse voorstanders van (een vorm van) het basisinkomen. Sommige van die reacties bleken te berusten op incorrecte aannames, of waren gewoon niet inhoudelijk (want puur op de onderbuik gebaseerd). Een aantal reacties was echter inhoudelijk sterk. Daarom heb ik mijn analyse uitgebreid om eigenlijk alle punten te behandelen die in de discussie ter sprake zijn gekomen.
Het is mijn streven geweest om het idee van een basisinkomen te overwegen met een open geest. Desondanks kan ik niet stellen dat mijn eindconclusie fundamenteel is gewijzigd: gratis geld bestaat simpelweg niet. Er zijn overtuigende sociale en economische redenen om het basisinkomen af te wijzen. In dit essay worden de mogelijkheden van een basisinkomen afgewogen tegen de nadelen en de risico's. Die laatste categorie, zo zal blijken, weegt uiteindelijk toch zwaarder.
Nota Bene: alle mogelijkheden die worden onderzocht in deze tekst zijn gebaseerd op de situatie in Nederland, en de cijfers zijn ontleend aan de overheidsbegroting voor 2015. Ik heb bewust gekozen om de meest recente cijfers te benutten in deze uitgave van dit essay.
Steeds vaker hoor je het langskomen: het idee van het onvoorwaardelijke basisinkomen. Het is beslist niet nieuw, maar het steekt de afgelopen maanden met toenemende frequentie de kop op. Voorstanders van het onvoorwaardelijke basisinkomen beweren al decennia dat hun plan het wondermiddel is dat de verzorgingsstaat radicaal gaat hervormen. De strekking is kinderlijk eenvoudig: gratis geld voor iedereen. Het komt er op neer dat alle huidige voorwaardelijke uitkeringen en andere sociale voorzieningen worden afgeschaft. In plaats daarvan gebruikt de overheid de enorme bak belastinggeld die nu naar al die regelingen gaat om iedere maand standaard een vast bedrag op de rekening van iedere Nederlander te storten. Dat maandelijks bedrag, het basisinkomen, is onvoorwaardelijk. Hoe weinig of hoe veel je ook verdient, wat je situatie ook is, je krijgt het hoe dan ook.
Dat klinkt nogal utopisch, en het plan komt dan ook uit een nogal utopistische hoek. In de jaren ’90 was een enthousiaste club pleitbezorgers—die vooral bestond uit doorgewinterde socialisten en enkele zweverige academici—er flink mee bezig, en kwam het af en toe in het nieuws. Destijds had de politiek weinig interesse. Enkele liberale politici voelden wel wat voor een onderzoekje naar zo’n idee, maar die dachten aan een basisinkomen van misschien eens honderd gulden per maand. De activisten van de Vereniging Basisinkomen dachten eerder aan een “leefloon” van een paar duizend gulden, en daar had de politiek geen behoefte aan.
Maar nu is het idee opeens terug. Niet alleen in Nederland, maar op veel plaatsen in de Westerse wereld. De afgelopen maanden steekt het basisinkomen met toenemende frequentie de kop op. In links-liberale, progressieve kringen zijn steeds meer voorstanders te vinden. De jongerenbewegingen van GroenLinks en D66 zijn uitgesproken voorstanders. Ook de internetactivisten van de PiratenPartij vinden het een aantrekkelijk idee. Inmiddels heeft D66 zelf aangekondigd dat de partij een onderzoek naar het basisinkomen zeker ziet zitten. Een dooie mus van twintig jaar geleden blijkt opeens weer springlevend.
Het is mijn streven geweest om het idee van een basisinkomen te overwegen met een open geest. Desondanks kan ik niet stellen dat mijn eindconclusie fundamenteel is gewijzigd: gratis geld bestaat simpelweg niet. Er zijn overtuigende sociale en economische redenen om het basisinkomen af te wijzen. In dit essay worden de mogelijkheden van een basisinkomen afgewogen tegen de nadelen en de risico's. Die laatste categorie, zo zal blijken, weegt uiteindelijk toch zwaarder.
Nota Bene: alle mogelijkheden die worden onderzocht in deze tekst zijn gebaseerd op de situatie in Nederland, en de cijfers zijn ontleend aan de overheidsbegroting voor 2015. Ik heb bewust gekozen om de meest recente cijfers te benutten in deze uitgave van dit essay.
GRATIS GELD BESTAAT NIET
Steeds vaker hoor je het langskomen: het idee van het onvoorwaardelijke basisinkomen. Het is beslist niet nieuw, maar het steekt de afgelopen maanden met toenemende frequentie de kop op. Voorstanders van het onvoorwaardelijke basisinkomen beweren al decennia dat hun plan het wondermiddel is dat de verzorgingsstaat radicaal gaat hervormen. De strekking is kinderlijk eenvoudig: gratis geld voor iedereen. Het komt er op neer dat alle huidige voorwaardelijke uitkeringen en andere sociale voorzieningen worden afgeschaft. In plaats daarvan gebruikt de overheid de enorme bak belastinggeld die nu naar al die regelingen gaat om iedere maand standaard een vast bedrag op de rekening van iedere Nederlander te storten. Dat maandelijks bedrag, het basisinkomen, is onvoorwaardelijk. Hoe weinig of hoe veel je ook verdient, wat je situatie ook is, je krijgt het hoe dan ook.
Dat klinkt nogal utopisch, en het plan komt dan ook uit een nogal utopistische hoek. In de jaren ’90 was een enthousiaste club pleitbezorgers—die vooral bestond uit doorgewinterde socialisten en enkele zweverige academici—er flink mee bezig, en kwam het af en toe in het nieuws. Destijds had de politiek weinig interesse. Enkele liberale politici voelden wel wat voor een onderzoekje naar zo’n idee, maar die dachten aan een basisinkomen van misschien eens honderd gulden per maand. De activisten van de Vereniging Basisinkomen dachten eerder aan een “leefloon” van een paar duizend gulden, en daar had de politiek geen behoefte aan.
Maar nu is het idee opeens terug. Niet alleen in Nederland, maar op veel plaatsen in de Westerse wereld. De afgelopen maanden steekt het basisinkomen met toenemende frequentie de kop op. In links-liberale, progressieve kringen zijn steeds meer voorstanders te vinden. De jongerenbewegingen van GroenLinks en D66 zijn uitgesproken voorstanders. Ook de internetactivisten van de PiratenPartij vinden het een aantrekkelijk idee. Inmiddels heeft D66 zelf aangekondigd dat de partij een onderzoek naar het basisinkomen zeker ziet zitten. Een dooie mus van twintig jaar geleden blijkt opeens weer springlevend.
Labels:
basisinkomen,
economie,
politiek
vrijdag 19 september 2014
Arm Schotland, waar de angst regeert
Wanneer de angst regeert, is een land verloren. Zo blijkt maar weer eens, nu een meerderheid van de Schotten uit angst en onzekerheid en onzekerheid hebben besloten om de moedige sprong niet te wagen. Zelfstandigheid vereist moed en eer, en door eeuwen onderwerping is dat er bij de ooit zo fiere Schotten blijkbaar flink uitgestampt.
Schotland blijft een onderdeel van het VK, en blijft intern verdeeld. Angst en onzekerheid, waar hoop en durf het land naar een betere toekomst hadden kunnen brengen. Heel jammer, en niet alleen voor de Schotten zelf. Op de lange termijn zullen die spijt krijgen van hun
beslissing, maar de Engelsen
zal het nog méér spijten, omdat Schotland binnen het VK nooit trots op eigen benen zal leren staan. Het zal, net als Wallonië of Groningen, bovengemiddeld veel aanspraak maken op sociale zekerheid... en consequent socialistisch gezind zijn. En dat zal zo blijven. Ook als de olie op is. Het linkse Schotland zal dan snel een loden last zijn voor het meer marktgerichte Engeland.
donderdag 21 augustus 2014
De grote vrijheid van het Gemenebest IJsland
De vrijwillige samenleving in de praktijk
De voorstanders van overheidsmacht, die variëren van
totalitaire collectivisten tot pleitbezorgers van de minimale nachtwakersstaat,
vinden zich verenigd in hun afwijzing van een volledig vrije en vrijwillige
samenleving. Het voluntaristische ideaal van een maatschappij waarin alle
interacties tussen mensen berusten op de vrijwillige instemming van alle
betrokkenen heeft volgens deze critici nog nooit bestaan. Om te beginnen is een
dergelijke argumentatie als discussietactiek intellectueel oneerlijk: een idee
dat nog nooit eerder is uitgevoerd kan geen praktijkvoorbeelden tonen. Betekent
dit dat het dus nooit uitgevoerd mag worden? Men mag aannemen dat voor alles
een eerste keer bestaat, en dat innovatie de bron van alle vooruitgang is.
Daarnaast is de stelling dat het voluntarisme (ook wel:
anarchokapitalisme) nooit heeft bestaan simpelweg incorrect. Het heeft op
lokale schaal regelmatig bestaan, over de hele wereld, de afgelopen 6000 jaar. Het
bleek consequent goed en vreedzaam te functioneren, maar juist de
kleinschaligheid maakte de voluntaire gemeenschappen kwetsbaar voor verovering
en onderwerping door minder vrijheidslievende entiteiten. Deze zwakte tegenover
agressie van buitenaf bleek keer op keer de doodssteek voor kleine
voluntaristische communes. Dat deze zwakte puur voortkwam uit de kleine schaal
van dergelijke gemeenschappen, en niet te maken had met hun vrijwillige
organisatievorm, wordt afdoende bewezen door het feit dat kleine gemeenschappen
die zich wel van een overheid bedienen óók kwetsbaar bleven voor
verovering.
Nog overtuigender bewijs dat een voluntaristische
samenleving op grotere schaal veel minder kwetsbaar zou zijn voor verovering
van buitenaf wordt echter geleverd door de geschiedenis. Om precies te zijn
door het simpele feit dat het voluntarisme de basis geweest van een gehele
samenleving, die 392 jaar lang heeft bestaan. Het Gemenebest IJsland heeft in
de middeleeuwen, in een periode dat de rest van Europa voortdurend werd
verscheurd door oorlogen tussen allerlei overheden, in vrede en welvaart kunnen
bestaan. Zonder leger. Zonder politie. Zonder wetboek. Zonder dat er ook maar
een cent belasting naar een overheid ging. (Ter vergelijking: de Verenigde
Staten van Amerika bestaan pas 238 jaar. Het zou nogal gewaagd zijn om een
samenleving die het 154 jaar langer volhield zomaar af te serveren als een
soort “experiment”.)
De enige reden dat het Gemenebest uiteindelijk ophield te
bestaan is, interessant genoeg, dat men de vergissing had gemaakt bepaalde
regels in te voeren, die als wetten werden gezien, en dat men na de Kerstening
afdrachten was gaan betalen aan de Kerk. Niet de absentie van wetten en
belastingen waren het probleem, maar de sluipende invoering ervan via de
achterdeur. Dit artikel zal pogen een beeld te geven van de geschiedenis van
het Gemenebest, van de vrije en ongedwongen maatschappij die daar bestond, en
van de verkeerde inschattingen die tot de ondergang van dat systeem hebben
geleid. De inzichten die daaruit voorkomen zullen van groot belang zijn bij
enige poging om vandaag de dag een vrije maatschappij in te richten.
vrijdag 1 augustus 2014
Gratis geld bestaat niet
Op deze pagina bevond zich de eerste uitgave van het essay "Gratis geld bestaat niet". Die eerste versie is inmiddels verouderd, omdat er een herziene uitgave is. Deze kunt u hier vinden.
Labels:
basisinkomen,
economie,
politiek
zaterdag 29 juni 2013
De zekerheid van goud
Aurum per medios ire satellites
Et perrumpere amat saxa potentius
Ictu fulmineo.
“Goud passeert met
gemak oplettende wachters
en geniet ervan om
zelfs de hardste steen te doorbreken
met de kracht van een
donderslag.”
— Horatius, Ode III.16, regel 12
Dit artikel is opgedragen aan Brecht Arnaert, die er ongetwijfeld veel van zijn eigen inzichten in zal herkennen. Ik schrijf dit met dankbaarheid voor onze vele gedachtewisselingen, en met de wens dat er nog veel meer mogen volgen.
De economie verkeert in zwaar weer, en alleen de zekerheid
van goud kan ons veilig door de storm brengen. Nu is een terugkeer naar de
gouden standaard vandaag de dag beslist geen breed gedragen idee onder
economen, maar toch is het precies wat we eigenlijk nodig hebben.
De veelgehoorde afkeer van een gouden standaard berust op
aannames, dogma’s en een gebrek aan economische kennis. Steevast beweren de
volgelingen van John Maynard Keynes dat herstel van de gouden standaard ons
verschrikkelijk onheil zou brengen. Hun grote voorganger was immers tegen de
gouden standaard, en ook vandaag slikken Keynesianen dat verhaal als zoete
koek. Ze laten geen kans voorbij gaan om goud te besmeuren met hun venijnige
kritiek, maar ze hebben het fout.
Het onheil dat ze zo zeggen te vrezen is hier al, en het is
juist ontstaan omdat we de gouden standaard verlaten hebben. Hun probleem is
dat ze hun held, Keynes, zien als een economisch genie. In realiteit was hij
helemaal geen econoom, maar een ideoloog. En al veel te lang hebben wij
geluisterd naar zijn ideologisch gemotiveerde vooroordelen. Al veel te lang
betalen wij daarvoor een hoge prijs. Tijd om het goud eens op te poetsen, want
onder het vuil van de Keynesiaanse dogma’s blinkt het nog steeds.
woensdag 12 juni 2013
Amerika werd groot als libertarische samenleving
Als libertariër, en dus pleitbezorger van zo min mogelijk
overheid, moet ik maar al te vaak horen hoe onrealistisch dat denkbeeld zou
zijn. “Een libertarische samenleving heeft nooit bestaan,” heet het dan.
Die triomfantelijke dooddoener zou moeten aantonen dat de
maatschappij niet kan bestaan zonder een grote en zorgzame overheid. Ten eerste
is dit niet bepaald een geldig argument: dat iets niet eerder heeft bestaan
betekent geenszins dat het nooit kan bestaan. Als dat immers het geval
was, dan leefden wij nog in grotten, gehuld in dierenvellen.
Ten tweede, en wellicht nog veel belangrijker: de uitspraak
klopt gewoon niet. Er hebben diverse libertarische samenlevingen bestaan in de
menselijke geschiedenis. Samenlevingen met een minimale overheid en maximale
persoonlijke vrijheid. Niet alleen hebben ze bestaan: ze bleken keer op keer
extreem succesvol.
donderdag 6 juni 2013
De crisis te lijf: een geschiedenisles
De economische malaise wordt op een totaal verkeerde manier aangepakt. We moeten leren van fouten uit het verleden, en het ditmaal beter doen.
Hoe gaat men een crisis te lijf? Laten we kijken naar het verleden, naar de Grote Depressie van de jaren dertig, want daar ligt het antwoord. Wel moeten we er eerst een dikke laag sociaaldemocratische onzin van afvegen. Want maar al te vaak mogen we aanhoren dat het progressieve beleid van Franklin Delano Roosevelt, gecombineerd met de “economische stimulans” van de Tweede Wereldoorlog, er voor zorgde dat de VS en de wereld uit de depressie werden getild.
De waarheid is exact het tegenovergestelde: de New Deal heeft een crisis die snel voorbij had kunnen zijn veranderd in een depressie die de wereld jarenlang heeft geteisterd (en de opkomst van Hitler mogelijk heeft gemaakt). De oorlog heeft de misère alleen maar erger gemaakt.
Hoe gaat men een crisis te lijf? Laten we kijken naar het verleden, naar de Grote Depressie van de jaren dertig, want daar ligt het antwoord. Wel moeten we er eerst een dikke laag sociaaldemocratische onzin van afvegen. Want maar al te vaak mogen we aanhoren dat het progressieve beleid van Franklin Delano Roosevelt, gecombineerd met de “economische stimulans” van de Tweede Wereldoorlog, er voor zorgde dat de VS en de wereld uit de depressie werden getild.
De waarheid is exact het tegenovergestelde: de New Deal heeft een crisis die snel voorbij had kunnen zijn veranderd in een depressie die de wereld jarenlang heeft geteisterd (en de opkomst van Hitler mogelijk heeft gemaakt). De oorlog heeft de misère alleen maar erger gemaakt.
zondag 31 maart 2013
Pasen? Ooster!
Net als de meeste Christelijke feesten is Pasen voor een groot deel een amalgaam van oudere tradities, die de Christenen hebben overgenomen van andere geloven. Er is niet heel veel authentieks aan: net als het gehele Christendom is het paasfeest een toonbeeld van een over de jaren bijeengeraapte mythologie, ontdaan van de wortels. Daardoor mist het nu toch echt iets: als een fraai bos bloemen, dat wellicht mooi op tafel staat, maar waarvan de stengels niet meer met de aarde zijn verbonden. Vergeef me derhalve, maar ik wens u geen zalig Pasen. In plaats daarvan beroep ik mij op een oudere traditie: ik wens u een gelukzalig Ooster.
Dat woord herkent u wellicht aan de hand van de Engelse naam van Pasen: Easter. Het is een pre-Christelijke term, die verwijst naar de Germaanse godin Ôstara. In de Angelsaksische talen, de voorlopers van het Engels, heette zij Ēostre of Ēastre. Dat deze naam op de woorden “oosten” en “east” lijkt is niet toevallig: haar feest was het lentefeest, de viering van het nieuwe licht. En iedereen weet dat de zon, bron van al het licht, opkomt in het oosten. De woorden Ôstara, Easter, oosten etc. zijn hoogstwaarschijnlijk allemaal afgeleid van het Proto-Indo-Europese woord voor zonsopkomst, Ausṓs.
Dergelijke lentefeesten zijn heel oud, net als het archetype van de lentegodin. Bijna alle Indo-Europese culturen hebben een dergelijke traditie, en de Christenen hebben de datum van hun feestje gewoon aangepast om daar mee samen te vallen (op dezelfde manier dat ze hun kerstfeest bewust lieten samenvallen met de midwinterviering). In het Engels hebben ze, zoals wel blijkt, zelfs de naam niet eens aangepast.
Dus nee, met dat Christelijke feestgebeuren heb ik toch wat minder. Hun interpretatie van het lentefeest mogen ze zelf houden. Ik gun iedereen dat van harte. Ik betreur enkel wel dat ze hun religie met grof geweld hebben opgelegd aan mijn voorouders. Het gevolg is dat veel te weinig mensen nog kennis hebben van de prachtige en rijke Germaanse cultuur. Maar u heeft nog tijd: het Germanen deelden het jaar in twee seizoenen, zomer en winter. Het begin van de zomer werd gevierd gedurende de maand april—het daadwerkelijke begin van de zomer was op de eerste mei.
Dit hebben de Christenen ook overgenomen, althans in Duitsland, door de nacht van 30 april op één mei te portretteren als een heksennacht—Walpurgissnacht. Dat grijpt terug op het Germaanse geloof dat zomer de tijd van leven en licht is, en winter de tijd van dood en duisternis. Op de laatste nacht vóór de zomer kon de duisternis nog één keer om zich heen grijpen. (Overigens ligt het aantal ongelukken en sterfgevallen in de laatste dagen van april inderdaad onevenredig hoog, en daar is nooit een verklaring voor gevonden.)
De Germanen namen in ieder geval het zekere voor het onzekere: gedurende april hielden ze feesten ter ere van Ôstara. De maand die wij april noemen heette zelfs Ôstarmânoth: de maand van Ôstara. Door deze godin van licht en leven te eren wilde men het duister bezweren, zodat de zomer kon aanbreken. In de laatste nacht van de wintertijd werden grote vuren ontstoken, die de hele nacht bleven branden, en zo werd de duisternis op afstand gehouden. In het noorden en oosten van ons land zien we die traditie nog terug in de paasvuren.
In ieder geval: ik ben er wellicht nogal vroeg mee, maar ik wens u alvast een gelukkig Oosterfeest, en een lange, warme zomer. Bij mij zal het vuur branden, op de laatste nacht vóór de tijd van zomer. Bij u ook? Ik hoop het van harte: laten we ons niet helemaal doodstaren op de gekerstende cultuurvormen van onze beschaving, en ook wat meer oog hebben voor de aloude Germaanse elementen, die beslist nog aanwezig zijn.
---
De discussiedraad op Facebook over dit artikel bevindt zich hier.
Dat woord herkent u wellicht aan de hand van de Engelse naam van Pasen: Easter. Het is een pre-Christelijke term, die verwijst naar de Germaanse godin Ôstara. In de Angelsaksische talen, de voorlopers van het Engels, heette zij Ēostre of Ēastre. Dat deze naam op de woorden “oosten” en “east” lijkt is niet toevallig: haar feest was het lentefeest, de viering van het nieuwe licht. En iedereen weet dat de zon, bron van al het licht, opkomt in het oosten. De woorden Ôstara, Easter, oosten etc. zijn hoogstwaarschijnlijk allemaal afgeleid van het Proto-Indo-Europese woord voor zonsopkomst, Ausṓs.
Dergelijke lentefeesten zijn heel oud, net als het archetype van de lentegodin. Bijna alle Indo-Europese culturen hebben een dergelijke traditie, en de Christenen hebben de datum van hun feestje gewoon aangepast om daar mee samen te vallen (op dezelfde manier dat ze hun kerstfeest bewust lieten samenvallen met de midwinterviering). In het Engels hebben ze, zoals wel blijkt, zelfs de naam niet eens aangepast.
Dus nee, met dat Christelijke feestgebeuren heb ik toch wat minder. Hun interpretatie van het lentefeest mogen ze zelf houden. Ik gun iedereen dat van harte. Ik betreur enkel wel dat ze hun religie met grof geweld hebben opgelegd aan mijn voorouders. Het gevolg is dat veel te weinig mensen nog kennis hebben van de prachtige en rijke Germaanse cultuur. Maar u heeft nog tijd: het Germanen deelden het jaar in twee seizoenen, zomer en winter. Het begin van de zomer werd gevierd gedurende de maand april—het daadwerkelijke begin van de zomer was op de eerste mei.
Dit hebben de Christenen ook overgenomen, althans in Duitsland, door de nacht van 30 april op één mei te portretteren als een heksennacht—Walpurgissnacht. Dat grijpt terug op het Germaanse geloof dat zomer de tijd van leven en licht is, en winter de tijd van dood en duisternis. Op de laatste nacht vóór de zomer kon de duisternis nog één keer om zich heen grijpen. (Overigens ligt het aantal ongelukken en sterfgevallen in de laatste dagen van april inderdaad onevenredig hoog, en daar is nooit een verklaring voor gevonden.)
De Germanen namen in ieder geval het zekere voor het onzekere: gedurende april hielden ze feesten ter ere van Ôstara. De maand die wij april noemen heette zelfs Ôstarmânoth: de maand van Ôstara. Door deze godin van licht en leven te eren wilde men het duister bezweren, zodat de zomer kon aanbreken. In de laatste nacht van de wintertijd werden grote vuren ontstoken, die de hele nacht bleven branden, en zo werd de duisternis op afstand gehouden. In het noorden en oosten van ons land zien we die traditie nog terug in de paasvuren.
In ieder geval: ik ben er wellicht nogal vroeg mee, maar ik wens u alvast een gelukkig Oosterfeest, en een lange, warme zomer. Bij mij zal het vuur branden, op de laatste nacht vóór de tijd van zomer. Bij u ook? Ik hoop het van harte: laten we ons niet helemaal doodstaren op de gekerstende cultuurvormen van onze beschaving, en ook wat meer oog hebben voor de aloude Germaanse elementen, die beslist nog aanwezig zijn.
---
De discussiedraad op Facebook over dit artikel bevindt zich hier.
Labels:
Christendom,
geloof,
Germaans verleden,
geschiedenis,
Ooster,
Pasen
woensdag 20 maart 2013
Het nieuwe nationalisme
De Eurofielen beweren voortdurend dat het nationalisme eng en
gevaarlijk is. Is dat wel zo? In het verleden is het nationalisme weliswaar
misbruikt voor wandaden, maar nu kan het juist onze redding zijn.
zaterdag 23 februari 2013
Nederland is een republiek
Tegenstanders van de Nederlandse monarchie, waartoe u
ondergetekende mag rekenen, stellen dat ons land een republiek zou moeten
worden. Het geval wil echter dat Nederland al een republiek is. De
monarchie die ons sedert 1813 opgedrongen wordt is vanaf dag één onwettig
geweest, en heeft geen enkel bestaansrecht. De monarchale ambities van de
Oranjes zijn net zo abject als de Franse overheersing die ons daarvóór op het
bord werd gesmeten.
woensdag 20 februari 2013
Hoe krijgen we het spoor terug op de rails?
Afgelopen zondag schreef ik een kritisch artikel over de NS. Mijn ongenoegen ontmoette bijkans universele herkenning en weerklank. Maar wat zijn mijn oplossingen? Ik kreeg die vraag meer dan eens en terecht! Iedereen met een gedegen observatievermogen, een bruikbare woordenschat en een pen of toetsenbord kan een bijtende kritiek schrijven. Zelf bruikbare suggesties bieden voor verbetering is stukken lastiger. De reden waarom ik die zondag achterwege liet was simpelweg het feit dat ik de kritiek voor iedereen leesbaar wilde houden. Dus ook voor mensen die mijn oplossingen wellicht afwijzen. Hierbij alsnog mijn visie op de vraag, hoe wij het spoor weer op de rails kunnen krijgen.
De oplossing die men hoort vanuit linkse hoek is hernationalisering van de NS en ProRail. Dat is niet alleen onverstandig, het is zelfs onmogelijk om iets te nationaliseren moet het eerst geprivatiseerd zijn, en dat zijn deze bedrijven niet. Het zijn staatsbedrijven: de overheid is nog immer eigenaar van de hele tent. We hebben te maken met een nep-privatisering. Een truc. Iedere keer dat er iets misgaat kan men nu roepen dat komt door die nare privatisering! terwijl de overheid in het geniep nog altijd de baas is op het spoor.
Nee, de oplossing ligt niet in méér van hetzelfde méér overheid maar juist in echte privatisering. De NS en ProRail worden op dit moment zwaar gesubsidieerd door Vadertje Staat (met 3,3 miljard per jaar) en hebben feitelijk geen concurrentie. Op enkele tracés worden private aanbieders toegelaten, en die doen het dikwijls beter dan de NS, maar dat is vaak ergens in een uithoek van het land. Overal waar het echt telt zorgt de NS er wel voor dat ze haar monopolie behoudt. Bovendien wordt het concurrenten onmogelijk gemaakt om te concurreren: ze mogen met hun prijzen niet te ver onder de NS-prijzen gaan zitten, en onlangs stelde de NS zelfs voor om overal één verplicht tarief op te leggen (namelijk het NS-tarief).
Dat is geen privatisering, dat is socialisme met een fopneus. En het zal niet verbeteren totdat NS en ProRail de tucht van de markt voelen, door ongehinderde concurrentie en een einde aan alle overheidssubsidies. Dan pas, en geen seconde eerder, worden de problemen opgelost die nu blijven etteren in een bedrijfscultuur die is doordrenkt van bureaucratisme en de typische arrogantie van een monopolist.
Wat zijn tenslotte de echte problemen? Het primaire probleem is een mate van chaotische complexiteit die enkel ontstaat als slordigheid niet wordt gestraft door het vertrek van de klant richting concurrent. Er is immers geen concurrent. De NS en ProRail hebben talloze technocratische plannen en vernieuwingen op elkaar gestapeld, jaar na jaar, en nu lijkt zowel hun bestuurlijke model als hun infrastructuur vooral op de rommelzolder van een enigszins gestoorde oudtante met een neiging om ieder prul te bewaren.
In theorie moest het leven voor de klant gemakkelijk gemaakt worden, dus zijn er allemaal ingenieuze schemas en constructies ontworpen om te zorgen dat aansluitende treinen waar mogelijk stil komen te staan op perrons naast elkaar. Leuk, maar dat vereist eindeloos veel wissels en bijzonder onoverzichtelijke planning om te zorgen dat treinen elkaar niet raken. Enorm arbeidsintensief, en daar komt nog bij dat die wissels kwetsbaar zijn zowel voor beschadigingen als voor weersomstandigheden. Waarom denkt u dat andere landen minder last hebben van winterweer? Ze hebben een minder complex schema van aankomst en vertrek, en ze hebben minder wissels.
In de praktijk is deze hele gang van zaken niet bepaald klantvriendelijk. Het is een technocratenoplossing voor een denkbeeldig probleem. Echte service naar de klanten is er niet; niemand bij de NS heeft de klant ooit gevraagd wat die wilde. Men dacht het wel te weten, en bedacht een oplossing. De klant kan nu lekker overstappen van perron 1 naar perron 2, maar van begin herfst tot in de lente is er voortdurend ellende op het spoor. In de zomer ben je ook niet veilig, want dan hebben die talloze wissels last van de hitte! Komt nog eens bij dat het proces enorm arbeidsintensief is er zijn erg veel mensen nodig om al die wissels en processen in de gaten te houden en daarom ook erg dúúr.
Ik weet zeker dat de gemiddelde klant liever wat vaker van perron 2 naar perron 10 loopt, als dat al die ellende oplost en zijn kaartje ook nog eens goedkoper maakt. En geloof me; ik kan garanderen dat dit mogelijk is. Want het alternatief dat ik beschrijf bestáát, en het is géén staatsbedrijf. In Japan heeft men de hele bende begin jaren 80 geprivatiseerd, en vervolgens is de aanpak die ik voorstel daar gehanteerd. De drukte op het spoor is daar vergelijkbaar met de situatie in ons land, dus het biedt een mooi perspectief. Er zijn daar geen onnodige wissels. Het spoor bestaat zo veel mogelijk uit aaneengesloten rails. Er is niet één aanbieder, maar meerdere concessiehouders. Bij de stop op een station op de grens van twee concessiegebieden stapt de ene bemanning uit, de andere in en de trein rijdt verder zonder vertraging. Ook tijdens een sneeuwstorm rijden alle treinen, zonder significante vertraging.
Het Japanse spoor is niet perfect, dat beweer ik niet, maar dat heeft voornamelijk met de Japanse mentaliteit te maken: ze willen dat het efficiënt is. De burger daar maalt geen moment om klantvriendelijkheid of gemak. Als het maar snel en effectief is. Dus dat levert de aanbieder. De prioriteiten in Nederland liggen anders. Wij bekommeren ons er om als mensen met veel bagage (of ouderen, of gehandicapten) van perron 2 naar perron 8 moeten lopen. Maar daar is geen complexe technocratenoplossing voor nodig! We kunnen op grote stations van die loopbanden aanleggen, zodat mensen die dat nodig hebben dáár op kunnen staan. Uiteindelijk goedkoper en gemakkelijker. Zon oplossing verzint een aanbieder op de vrije markt. De NS bedenkt dat in geen honderd jaar.
Dat is mijn voorstel: de Japanse aanpak, met een Nederlandse insteek. Efficiency en klantvriendelijkheid, hand in hand. Het is niet moeilijk. Je moet alleen even buiten de hokjes van een fantasieloos staatsbedrijf durven kijken. Waar wachten we op? Splits de NS in meerdere delen, en verkoop de hele tent per concessiegebied aan een marktpartij. Breng zowel spoor als stations zonder uitzondering onder bij ProRail, knikker daar de directie er uit, en verkoop dat óók aan een marktpartij. Dan kan dat bedrijf zorgen voor een efficiënt spoor en klantvriendelijke stations, en diverse exploitanten kunnen op dat spoor treindiensten aanbieden.
Dit alles natuurlijk geheel geregeld door de vrije markt, zonder bemoeienis van de overheid. Er komt geen cent subsidie meer bij kijken; die 3,3 miljard gebruiken we om de belastingen op autogebruik te verlagen. Voor wie denkt dat de prijzen op het spoor dan stijgen: in Japan is de prijs van het treinkaartje sinds de privatisering begin jaren 80 niet meer gestegen (behoudens inflatiecorrectie). De vrije markt, anders dan logge staatsbedrijven, levert wat de mensen willen, en voor een redelijke prijs. Nogmaals: waar wachten we op? Privatiseer die bende! Dan krijg je het spoor weer terug op de rails!
De oplossing die men hoort vanuit linkse hoek is hernationalisering van de NS en ProRail. Dat is niet alleen onverstandig, het is zelfs onmogelijk om iets te nationaliseren moet het eerst geprivatiseerd zijn, en dat zijn deze bedrijven niet. Het zijn staatsbedrijven: de overheid is nog immer eigenaar van de hele tent. We hebben te maken met een nep-privatisering. Een truc. Iedere keer dat er iets misgaat kan men nu roepen dat komt door die nare privatisering! terwijl de overheid in het geniep nog altijd de baas is op het spoor.
Nee, de oplossing ligt niet in méér van hetzelfde méér overheid maar juist in echte privatisering. De NS en ProRail worden op dit moment zwaar gesubsidieerd door Vadertje Staat (met 3,3 miljard per jaar) en hebben feitelijk geen concurrentie. Op enkele tracés worden private aanbieders toegelaten, en die doen het dikwijls beter dan de NS, maar dat is vaak ergens in een uithoek van het land. Overal waar het echt telt zorgt de NS er wel voor dat ze haar monopolie behoudt. Bovendien wordt het concurrenten onmogelijk gemaakt om te concurreren: ze mogen met hun prijzen niet te ver onder de NS-prijzen gaan zitten, en onlangs stelde de NS zelfs voor om overal één verplicht tarief op te leggen (namelijk het NS-tarief).
Dat is geen privatisering, dat is socialisme met een fopneus. En het zal niet verbeteren totdat NS en ProRail de tucht van de markt voelen, door ongehinderde concurrentie en een einde aan alle overheidssubsidies. Dan pas, en geen seconde eerder, worden de problemen opgelost die nu blijven etteren in een bedrijfscultuur die is doordrenkt van bureaucratisme en de typische arrogantie van een monopolist.
Wat zijn tenslotte de echte problemen? Het primaire probleem is een mate van chaotische complexiteit die enkel ontstaat als slordigheid niet wordt gestraft door het vertrek van de klant richting concurrent. Er is immers geen concurrent. De NS en ProRail hebben talloze technocratische plannen en vernieuwingen op elkaar gestapeld, jaar na jaar, en nu lijkt zowel hun bestuurlijke model als hun infrastructuur vooral op de rommelzolder van een enigszins gestoorde oudtante met een neiging om ieder prul te bewaren.
In theorie moest het leven voor de klant gemakkelijk gemaakt worden, dus zijn er allemaal ingenieuze schemas en constructies ontworpen om te zorgen dat aansluitende treinen waar mogelijk stil komen te staan op perrons naast elkaar. Leuk, maar dat vereist eindeloos veel wissels en bijzonder onoverzichtelijke planning om te zorgen dat treinen elkaar niet raken. Enorm arbeidsintensief, en daar komt nog bij dat die wissels kwetsbaar zijn zowel voor beschadigingen als voor weersomstandigheden. Waarom denkt u dat andere landen minder last hebben van winterweer? Ze hebben een minder complex schema van aankomst en vertrek, en ze hebben minder wissels.
In de praktijk is deze hele gang van zaken niet bepaald klantvriendelijk. Het is een technocratenoplossing voor een denkbeeldig probleem. Echte service naar de klanten is er niet; niemand bij de NS heeft de klant ooit gevraagd wat die wilde. Men dacht het wel te weten, en bedacht een oplossing. De klant kan nu lekker overstappen van perron 1 naar perron 2, maar van begin herfst tot in de lente is er voortdurend ellende op het spoor. In de zomer ben je ook niet veilig, want dan hebben die talloze wissels last van de hitte! Komt nog eens bij dat het proces enorm arbeidsintensief is er zijn erg veel mensen nodig om al die wissels en processen in de gaten te houden en daarom ook erg dúúr.
Ik weet zeker dat de gemiddelde klant liever wat vaker van perron 2 naar perron 10 loopt, als dat al die ellende oplost en zijn kaartje ook nog eens goedkoper maakt. En geloof me; ik kan garanderen dat dit mogelijk is. Want het alternatief dat ik beschrijf bestáát, en het is géén staatsbedrijf. In Japan heeft men de hele bende begin jaren 80 geprivatiseerd, en vervolgens is de aanpak die ik voorstel daar gehanteerd. De drukte op het spoor is daar vergelijkbaar met de situatie in ons land, dus het biedt een mooi perspectief. Er zijn daar geen onnodige wissels. Het spoor bestaat zo veel mogelijk uit aaneengesloten rails. Er is niet één aanbieder, maar meerdere concessiehouders. Bij de stop op een station op de grens van twee concessiegebieden stapt de ene bemanning uit, de andere in en de trein rijdt verder zonder vertraging. Ook tijdens een sneeuwstorm rijden alle treinen, zonder significante vertraging.
Het Japanse spoor is niet perfect, dat beweer ik niet, maar dat heeft voornamelijk met de Japanse mentaliteit te maken: ze willen dat het efficiënt is. De burger daar maalt geen moment om klantvriendelijkheid of gemak. Als het maar snel en effectief is. Dus dat levert de aanbieder. De prioriteiten in Nederland liggen anders. Wij bekommeren ons er om als mensen met veel bagage (of ouderen, of gehandicapten) van perron 2 naar perron 8 moeten lopen. Maar daar is geen complexe technocratenoplossing voor nodig! We kunnen op grote stations van die loopbanden aanleggen, zodat mensen die dat nodig hebben dáár op kunnen staan. Uiteindelijk goedkoper en gemakkelijker. Zon oplossing verzint een aanbieder op de vrije markt. De NS bedenkt dat in geen honderd jaar.
Dat is mijn voorstel: de Japanse aanpak, met een Nederlandse insteek. Efficiency en klantvriendelijkheid, hand in hand. Het is niet moeilijk. Je moet alleen even buiten de hokjes van een fantasieloos staatsbedrijf durven kijken. Waar wachten we op? Splits de NS in meerdere delen, en verkoop de hele tent per concessiegebied aan een marktpartij. Breng zowel spoor als stations zonder uitzondering onder bij ProRail, knikker daar de directie er uit, en verkoop dat óók aan een marktpartij. Dan kan dat bedrijf zorgen voor een efficiënt spoor en klantvriendelijke stations, en diverse exploitanten kunnen op dat spoor treindiensten aanbieden.
Dit alles natuurlijk geheel geregeld door de vrije markt, zonder bemoeienis van de overheid. Er komt geen cent subsidie meer bij kijken; die 3,3 miljard gebruiken we om de belastingen op autogebruik te verlagen. Voor wie denkt dat de prijzen op het spoor dan stijgen: in Japan is de prijs van het treinkaartje sinds de privatisering begin jaren 80 niet meer gestegen (behoudens inflatiecorrectie). De vrije markt, anders dan logge staatsbedrijven, levert wat de mensen willen, en voor een redelijke prijs. Nogmaals: waar wachten we op? Privatiseer die bende! Dan krijg je het spoor weer terug op de rails!
zondag 17 februari 2013
Het eindeloze geklungel van de NS
De NS, vooralsnog een slecht georganiseerd staatsbedrijf in alles behalve naam, blijkt jaar na jaar te falen. Verbetering is niet in zicht, arrogantie des te meer. Zodra de R in de maand is, komt alles knarsend en piepend tot stilstand op het spoor. Van de vroegste herfst tot aan het voorjaar is er op ieder moment wel ergens ellende. Jaar na jaar na jaar. De NS blijkt niet in staat om hier de nodige lessen uit te trekken. Ze worden enkel steeds bekwamer in het ontkennen van problemen en het afschuiven van schuld.
Van de week liet de NS de treinen alwéér volgens een beperkte dienstregeling rijden. Anders zou alles spaaklopen door de sneeuwval. Het is al de elfde keer deze winter. De incidenten in het najaar (dan is steevast het spoor te nat, liggen er blaadjes op de rails nee, echt, dat zijn de excuses!) rekenen we maar even niet mee. De NS garandeert het land dat het allemaal echt niet anders kan: het is om te voorkomen dat bij vertragingen het spoorwegennet helemaal vastloopt zegt men bij de NS. Bovendien moet de reiziger niet overdrijven, zo verklaart NS-topman Bert Meerstadt: deze winter, waarin we meer dan tien grote sneeuwbuien hebben gehad, houdt de dienstregeling zich beduidend beter dan in de jaren ervoor.
Meer dan tien grote sneeuwbuien. Ja. Elf, om precies te zijn. En elf van de elf keer ging de NS keihard onderuit. Als meneer Meerstadt dáár ook maar iets positiefs in kan zien, dan vermoed ik dat hij rijp is voor opname in een gesticht. Waandenkbeelden van zeer ernstige aard. De werkelijkheid zal wat cynischer zijn: Meerstadt liegt gewoon dat het gedrukt staat. Creatief omgaan met de waarheid is hem sowieso niet vreemd. Zo beweerde hij eerder deze week ook dat 80 procent van de treinen gewoon rijdt.
Dat is ver bezijden de waarheid: op 80 procent van de trajecten wordt gereden, maar dat zijn vooral de trajecten die minder bezet zijn. Op de drukke trajecten, waar het overgrote deel van het passagiersverkeer op het spoor plaatsvindt, dáár worden bij sneeuw minimaal de helft van de treinen van het spoor gehaald. Deze winter, zoals gezegd, al elf keer. Zelfs als we begin december als begin van de winter hanteren (nogal ruim genomen, dus) duurt de winter tot nu toe elf weken! Gemiddeld faalt de NS dus wekelijks, en dat zijn enkel de grote missers. Op ieder tijdstip, vanaf begin december tot nu, is er wel ergens in het land iets mis. Dagelijks.
Desondanks heeft de directie van de NS zich in het hoofd weten te halen om onlang te melden dat heel Europa jaloers is op de Nederlandse winterdienstregeling. Dit moet een tot nu toe onbekende betekenis van het woord jaloezie zijn. Die zo veel betekent als heel Europa lacht ons uit. En als ze dat niet deden vóór die absurde uitspraak (wederom bij monde van de heer Meerstadt, overigens); daarna deden ze het zeker. Het bericht haalde enkele Belgische en Duitse kranten. Spot en hoon waren ons deel. Terecht.
Een mens zou denken dat de NS-directie zich vervolgens héél stil zou houden. Dan kent u meneer Meerstadt nog niet: zodra van de week wéér sneeuw viel, wist hij zonder blikken of blozen te melden dat de diverse reizigersorganisaties een beetje piepen wanneer zij klagen over de miserabele staat van de winterdienstregeling. Zo erg is het allemaal niet. Meerstadt wees vervolgens op het feit dat de NS medewerkers heeft ingezet om gratis koffie te schenken voor wachtende reizigers. In de wereld van Meerstadt is een kopje lauwe pleur blijkbaar een royale compensatie voor een uur of twee, drie (zo niet méér) staan wachten in de vrieskou.
Zulke abjecte wereldvreemdheid kan eigenlijk niet eens meer als verbazend gelden; Meerstadt zelf hoeft immers nooit op de trein te wachten. De NS-directie beloont zichzelf tenslotte rijkelijk. De NS behaalde in 2012 een totaal van 264 miljoen euro pure winst, zon 53 miljoen méér dan een jaar daarvoor. Een deel van die groei in winst komt omdat de NS (in gevallen van slecht weer, zoals sneeuw, hevige regen en blaadjes ) minder treinen liet rijden, en wel de volledige subsidie-injectie van de staat op wist te strijken. (3,3 miljard euro, voor wie het wil weten.) Van het bespaarde geld weet de directie er warmpjes bij te zitten, terwijl de reiziger in de kou staat.
Denk er maar eens over na: ze laten minder treinen rijden, en strijken daardoor meer belastinggeld op als pure winst. Een situatie waarbij zowel de reiziger als de belastingbetaler de dupe zijn, maar het bestuur van de daarvoor verantwoordelijke organisatie enorm profiteert. Een cynischer mens dan ikzelf zou vermoeden dat ze het met opzet doen.
Meerstadt drukt de reiziger op het hart dat de NS er allemaal niets aan kan doen. Over het rapport inzake de NS-prestaties in 2012 zegt hij: de grenzen qua capaciteit op het spoor zijn bereikt. Dat is opvallend, aangezien uit het rapport zelf blijkt dat defecten aan materieel geen aantoonbare rol spelen bij de ellende. Alles duidt op een vooral organisatorisch probleem. Oftewel: het is wel degelijk de directie die het jaar na jaar weet te verkloten. Meerstadt ontkent dat in alle toonaarden, en voegt toe dat het beeld van de problemen op het spoor vaak wordt gekleurd door mensen die niet in de trein willen zitten en daar nog een goede reden voor moeten vinden.
Weet u dat ook weer. Er zijn helemaal geen problemen, het zit gewoon tussen uw oren, en bovendien is het uw eigen schuld. U moet vooral niet zeuren, en de directie is hoe dan ook niet verantwoordelijk. De Duitse en Belgische kranten die onlangs de NS noemden vroegen zich niet zelden af waarom wij in Nederland de NS-directie nog niet hebben gesommeerd om subiet de trein naar Nergenshuizen te nemen. Dat is een bijzonder goede vraag. Hij zou wel eens in de Tweede Kamer mogen worden gesteld.
Van de week liet de NS de treinen alwéér volgens een beperkte dienstregeling rijden. Anders zou alles spaaklopen door de sneeuwval. Het is al de elfde keer deze winter. De incidenten in het najaar (dan is steevast het spoor te nat, liggen er blaadjes op de rails nee, echt, dat zijn de excuses!) rekenen we maar even niet mee. De NS garandeert het land dat het allemaal echt niet anders kan: het is om te voorkomen dat bij vertragingen het spoorwegennet helemaal vastloopt zegt men bij de NS. Bovendien moet de reiziger niet overdrijven, zo verklaart NS-topman Bert Meerstadt: deze winter, waarin we meer dan tien grote sneeuwbuien hebben gehad, houdt de dienstregeling zich beduidend beter dan in de jaren ervoor.
Meer dan tien grote sneeuwbuien. Ja. Elf, om precies te zijn. En elf van de elf keer ging de NS keihard onderuit. Als meneer Meerstadt dáár ook maar iets positiefs in kan zien, dan vermoed ik dat hij rijp is voor opname in een gesticht. Waandenkbeelden van zeer ernstige aard. De werkelijkheid zal wat cynischer zijn: Meerstadt liegt gewoon dat het gedrukt staat. Creatief omgaan met de waarheid is hem sowieso niet vreemd. Zo beweerde hij eerder deze week ook dat 80 procent van de treinen gewoon rijdt.
Dat is ver bezijden de waarheid: op 80 procent van de trajecten wordt gereden, maar dat zijn vooral de trajecten die minder bezet zijn. Op de drukke trajecten, waar het overgrote deel van het passagiersverkeer op het spoor plaatsvindt, dáár worden bij sneeuw minimaal de helft van de treinen van het spoor gehaald. Deze winter, zoals gezegd, al elf keer. Zelfs als we begin december als begin van de winter hanteren (nogal ruim genomen, dus) duurt de winter tot nu toe elf weken! Gemiddeld faalt de NS dus wekelijks, en dat zijn enkel de grote missers. Op ieder tijdstip, vanaf begin december tot nu, is er wel ergens in het land iets mis. Dagelijks.
Desondanks heeft de directie van de NS zich in het hoofd weten te halen om onlang te melden dat heel Europa jaloers is op de Nederlandse winterdienstregeling. Dit moet een tot nu toe onbekende betekenis van het woord jaloezie zijn. Die zo veel betekent als heel Europa lacht ons uit. En als ze dat niet deden vóór die absurde uitspraak (wederom bij monde van de heer Meerstadt, overigens); daarna deden ze het zeker. Het bericht haalde enkele Belgische en Duitse kranten. Spot en hoon waren ons deel. Terecht.
Een mens zou denken dat de NS-directie zich vervolgens héél stil zou houden. Dan kent u meneer Meerstadt nog niet: zodra van de week wéér sneeuw viel, wist hij zonder blikken of blozen te melden dat de diverse reizigersorganisaties een beetje piepen wanneer zij klagen over de miserabele staat van de winterdienstregeling. Zo erg is het allemaal niet. Meerstadt wees vervolgens op het feit dat de NS medewerkers heeft ingezet om gratis koffie te schenken voor wachtende reizigers. In de wereld van Meerstadt is een kopje lauwe pleur blijkbaar een royale compensatie voor een uur of twee, drie (zo niet méér) staan wachten in de vrieskou.
Zulke abjecte wereldvreemdheid kan eigenlijk niet eens meer als verbazend gelden; Meerstadt zelf hoeft immers nooit op de trein te wachten. De NS-directie beloont zichzelf tenslotte rijkelijk. De NS behaalde in 2012 een totaal van 264 miljoen euro pure winst, zon 53 miljoen méér dan een jaar daarvoor. Een deel van die groei in winst komt omdat de NS (in gevallen van slecht weer, zoals sneeuw, hevige regen en blaadjes ) minder treinen liet rijden, en wel de volledige subsidie-injectie van de staat op wist te strijken. (3,3 miljard euro, voor wie het wil weten.) Van het bespaarde geld weet de directie er warmpjes bij te zitten, terwijl de reiziger in de kou staat.
Denk er maar eens over na: ze laten minder treinen rijden, en strijken daardoor meer belastinggeld op als pure winst. Een situatie waarbij zowel de reiziger als de belastingbetaler de dupe zijn, maar het bestuur van de daarvoor verantwoordelijke organisatie enorm profiteert. Een cynischer mens dan ikzelf zou vermoeden dat ze het met opzet doen.
Meerstadt drukt de reiziger op het hart dat de NS er allemaal niets aan kan doen. Over het rapport inzake de NS-prestaties in 2012 zegt hij: de grenzen qua capaciteit op het spoor zijn bereikt. Dat is opvallend, aangezien uit het rapport zelf blijkt dat defecten aan materieel geen aantoonbare rol spelen bij de ellende. Alles duidt op een vooral organisatorisch probleem. Oftewel: het is wel degelijk de directie die het jaar na jaar weet te verkloten. Meerstadt ontkent dat in alle toonaarden, en voegt toe dat het beeld van de problemen op het spoor vaak wordt gekleurd door mensen die niet in de trein willen zitten en daar nog een goede reden voor moeten vinden.
Weet u dat ook weer. Er zijn helemaal geen problemen, het zit gewoon tussen uw oren, en bovendien is het uw eigen schuld. U moet vooral niet zeuren, en de directie is hoe dan ook niet verantwoordelijk. De Duitse en Belgische kranten die onlangs de NS noemden vroegen zich niet zelden af waarom wij in Nederland de NS-directie nog niet hebben gesommeerd om subiet de trein naar Nergenshuizen te nemen. Dat is een bijzonder goede vraag. Hij zou wel eens in de Tweede Kamer mogen worden gesteld.
vrijdag 21 december 2012
Een Onchristelijke Wereld
Een Onchristelijke Wereld
Wat als de man die wij Jezus noemen nooit geboren was?
Voorwoord
Vandaag, de eenentwintigste december, is een dag waaraan al
sinds de oudheid groot belang wordt toegekend. Terecht, want het is de datum
van de zonnewende die iedere winter de kortste dag markeert. Vanaf morgen
worden de dagen weer langer, keert het licht terug, nadert de zomer. Het is
niet voor niets dat de Mayakalender op deze dag afloopt (hetgeen in hun
kosmologie overigens niet het einde van de wereld betekent, maar de aanvang van
een nieuwe era). Het is niet voor niets dat talrijke volkeren in de oudheid hun
winterfeest vierden op deze dag, hun feest van licht en leven. De Germanen
vierden het Joelfeest, de Romeinen hielden op deze dag de Saturnaliën.
Het is niet voor niets dat de Christenen rond deze tijd de
geboorte van hun messias vieren. Niet omdat Jezus in de winter geboren is, maar
specifiek om het feest samen te laten vallen met de heidense lichtfeesten —
zodat deze makkelijker door het Christendom gecoöpteerd konden worden. (Wie
denkt dat er tegenwoordig een commercialisering van het kerstfeest plaatsvindt
kan dus maar beter in gedachte houden dat het hele feest vanaf het begin al
stoelt op een slinkse marketingtruc.) De enige reden dat Kerstmis op de 25ste
valt, en niet op de ware datum van de zonnewende, is vanwege latere
kalenderaanpassingen. Wanneer Jezus nou echt geboren is zullen we wel
nooit meer kunnen achterhalen.
Hoe het ook zij, de Christenen vieren zijn geboorte
tegenwoordig in december, en daarmee zijn deze dagen, de kortste en donkerste
dagen van het jaar, het moment bij uitstek om eens stil te staan bij de enorme
invloed die deze geboorte heeft gehad op de wereld zoals wij die kennen. Ik
durf te stellen dat er nauwelijks gebeurtenissen zijn die van grotere invloed
zijn geweest. We leven, zeker in het Westen, in een wereld die in zeer
verregaande mate is gevormd door het Christendom. Onze wereld is een
Christelijke wereld. Onze aannames, onze dogma’s, onze morele en ethische
opvattingen en onze politieke vanzelfsprekendheden zijn — direct of indirect —
producten van een Christelijke belevingswereld.
We zijn ons daar zelden echt van bewust. We staan er niet
bij stil, omdat de maatschappij waarin we leven onze enige referentie is. We
kennen niets anders dan deze wereld, en daarom zijn we blind voor het feit dat
onze visie op de maatschappij, de geschiedenis, de moraal, de ethiek etc. etc.
zeer sterk is gevormd door van oorsprong Christelijke aannames. Hoe kunnen we
dan ooit tot objectief inzicht komen? Pas als we beseffen dat, en in hoeverre,
we door iets beïnvloed worden kunnen we daar rekening mee houden en objectief
denken. We moeten ons dan afvragen: hoe, en in hoeverre, heeft het Christendom
onze wereld gevormd?
De historicus Niall Ferguson gebruikt een uiterst
interessante methode om dergelijke vragen te benaderen: om de invloed van een
gebeurtenis te analyseren vraagt hij zich af wat er gebeurt zou zijn als deze
gebeurtenis nooit had plaatsgevonden. In zijn boek The Pity of War
gebruikt hij deze methode (die hij virtual history noemt) om een aantal
aannames inzake de Eerste Wereldoorlog kritisch te bestuderen. Deze aanpak
dwingt een onderzoeker om de materie vanuit een totaal andere invalshoek te
benaderen — hetgeen uiterst bevorderlijk is voor het loslaten van dogmatische
premissen.
Om onze eigen, Christelijke, wereld objectiever te benaderen
zou het best wel eens raadzaam kunnen zijn om ons af te vragen wat er geworden
zou zijn van onze geschiedenis, onze cultuur, onze wereld, als er geen
Christendom bestond. Als Jezus nooit geboren was. Er zijn al grote aantallen
boeken geschreven — variërend van nauwkeurige geschiedkunde tot pure fictie —
waarin men zich afvraagt wat er gebeurd zou zijn als een cruciale gebeurtenis anders
zou zijn verlopen. Hoe vaak heeft men zich niet afgevraagd hoe een wereld
zonder Hitler er uit had gezien? (Daar zijn al snel een paar honderd boeken
over geschreven.) Een boek of serieus essay dat gaat over een wereld zonder Jezus
heb ik echter nog nooit gezien. Wellicht bestaat het, maar het is mij niet
bekend. Duidelijk houdt het de gemoederen merkbaar minder bezig. Terwijl de
invloed van Jezus op onze wereld toch echt ontelbare malen groter is geweest
dan die van Hitler. (En ik schroom niet om daar aan toe te voegen: godzijdank!)
Ik heb vaker zeer interessante gesprekken en discussie
gevoerd over de invloed van het Christendom op onze wereld. Het is een
onderwerp dat mij — en, gezien die gesprekken, ook anderen — weet te boeien.
Vandaar dit essay, waarin ik tracht de vraag te beantwoorden: wat als de man
die wij Jezus noemen nooit geboren was? Ik zal hier een portret schetsen
van een Onchristelijke wereld. Vanzelfsprekend is het antwoord op de vraag “wat
zou er gebeurd zijn als…?” per definitie een vorm van speculatie. Ook een
pionier op het gebied, zoals Niall Ferguson, geeft dat direct toe. Aan de
andere kant, er zijn heel wat mensen die ook de inhoud van de bijbel zouden
kenmerken als een vorm van speculatie — dus door dergelijke bezwaren hoeven we
ons niet te laten weerhouden.
In dit essay pretendeer ik tevens niet de
Onchristelijke wereld te beschrijven, maar één mogelijke Onchristelijke
wereld. Niet de gang van zaken die zonder twijfel zou hebben bestaan,
ware het Christendom nooit opgekomen, maar een geschiedenis die had kunnen
bestaan. Een gang van zaken die ik, op basis van de historische werkelijkheid,
het meest waarschijnlijk acht. Natuurlijk kan ik niet met zekerheid zeggen hoe
een versmelting van Germaanse en Romeinse religie in een Onchristelijk Italië
onder de Ostrogoten zou hebben uitgepakt (om maar een voorbeeld te noemen). Ik
kan enkel beargumenteren dat zo’n syncretische ontwikkeling zou hebben
plaatsgevonden. Mijn duiding van hoe zo’n religie er ongeveer uit zou hebben
gezien heb ik toegevoegd om de door mij geschetste wereld wat levendigheid te
geven. U mag het couleur locale noemen.
Bij alles dat ik mijn lezers voorspiegel zal ik eerst
vertellen waarom ik geloof dat het zo gegaan zou zijn, en niet anders:
ik onderbouw de wereld die ik met fantasie schets door middel van feitelijke
observaties uit de ons welbekende geschiedenis. Ieder “hoofdstuk” van de
Onchristelijke geschiedenis die ik opteken wordt voorafgegaan door een analyse
die ik baseer op concrete feiten uit onze eigen geschiedenis — die zo sterk
gevormd is door het Christendom. Ik zal trachten die vorming, en de gevolgen
ervan, helder weer te geven. Mijn hoop is dat daarmee ook de gevolgen van een absentie
van het Christendom zichtbaar worden.
Hier, dan, volgt een dubbelportret van twee werelden. De
onze, zo ingrijpend gevormd door het Christendom — en een andere,
Onchristelijke wereld, die ook door geheel andere krachten is gevormd.
Labels:
Byzantium,
Christendom,
filosofie,
geloof,
geschiedenis,
Gnosticisme,
Hermetiek,
Ideeënleer,
Ideeënwereld,
Imperium,
Klassieke Oudheid,
metafysica,
Neoplatonisme,
Plato,
religie,
Rome,
virtual history
donderdag 29 november 2012
Op zoek naar de waarheid
Wat is waarheid? Uiteindelijk is dat de meest fundamentele vraag van de filosofie. Niet “wie ben ik?” of “wat is de zin van het leven?” of enige andere existentiële vraag. Om vragen over het bestaan te stellen, moeten we eerst weten wat echt bestaat, en wat de aard van dat bestaan is. Wat is wáár? Wat is echt? Wat is werkelijkheid?
De grondleggers van de Westerse filosofische traditie – Socrates, Plato en Aristoteles – hielden zich al bezig met deze vraag, hoewel ze niet tot dezelfde conclusies kwamen. We kennen Socrates enkel via de werken van Plato, waarin Plato de Socratische leer verdedigt. Er bestaat zelfs de theorie dat Socrates nooit bestaan heeft, en een verzinsel van Plato was, om diens eigen denkbeelden uit te dragen. Of dit het geval is geweest is onmogelijk na te gaan, maar het is in ieder geval een feit dat Plato en Socrates één hoofdstroming in het Westerse realiteitsbesef vertegenwoordigen, terwijl Aristoteles de andere hoofdstroming belichaamt.
Labels:
Aristoteles,
filosofie,
geloof,
geschiedenis,
Ideeënleer,
Ideeënwereld,
Klassieke Oudheid,
metafysica,
Neoplatonisme,
Plato,
Socrates,
waarheid,
werkelijkheid
donderdag 8 november 2012
Alle wegen leiden naar...
Hoe Republiek onvermijdelijk moest wijken voor Imperium.
Rome – méér dan een stad, meer zelfs dan de eeuwige
stad – het is een idee, een symbool. Het woord “Rome” staat in ons collectieve
bewustzijn voor de ultieme belichaming van Imperium. Het was het
Romeinse Rijk dat een vorm bood waar alle latere Europese Rijken zich naar
modelleerden. Toch was Rome gedurende vijf eeuwen juist de belichaming van de Republiek.
Het is een vreemd idee, dat de archetypische Republiek uiteindelijk het
archetypische Imperium werd. Toch geloof ik dat het (bijna) niet anders kon. Er
zijn maar weinig scenario’s denkbaar waarin de Republiek het overleefd zou
hebben. Uiteindelijk hadden alle wegen van de geschiedenis naar het Romeinse
Rijk geleid.
Abonneren op:
Posts (Atom)
.jpg)



