zondag 3 april 2011

Strijden om het Avondland


In 1918 en 1922 verscheen het tweedelige werk van Oswald Spengler (1880-1936), genaamd Der Untergang des Abendlandes. Hierin voorspelde hij de val van de Westerse Beschaving, en dan in het bijzonder die van Europa. Deze beschaving herkende hij als het product van de Verlichting, de triomf van de “Westerse wil”. Daaruit waren rationaliteit, objectieve wetenschap en individueel bewustzijn voortgekomen. En dit alles, zo stelde hij, was gedoemd om ten onder te gaan. Europa, het Avondland, was al verstrikt in haar eigen doodsstrijd.


Spengler had daar een gemengd gevoel bij, zo blijkt uit zijn geschriften. Hij ervoer het als een pessimistische gedachte, maar ook in zekere zin als rechtvaardig, en bovendien geheel onvermijdelijk. Spengler was een cultuurhistoricus en filosoof met romantisch-conservatieve denkbeelden. Hij zag culturen als autonome entiteiten, die net als individuen een ontwikkeling doormaken. Dat zou ook betekenen dat iedere cultuur ooit moet sterven. In het geval van de Westerse Beschaving vond hij dat niet eens zo zeer onterecht: hij had een monarchistisch en antiparlementair wereldbeeld, en vond veel producten van de Verlichting eigenlijk maar zwak.

Der Untergang des Abendlandes werd geschreven in het licht van het opkomende rabiate Duitse nationalisme, dat hij eerst als een prachtige zaak beschouwde, omdat hij de Weimarrepubliek verfoeide. In zijn ogen zou de Westerse wil worden gebroken, zodat de Duitse wil er voor in de plaats kon komen: een verwerping van het rationalisme, en een terugkeer naar een romantisch wereldbeeld. Deze opkomende Duitse volkswil was namelijk veel meer gebaseerd op het kunnen “aanvoelen” in plaats van het beredeneren, en in die instinctieve benadering van de werkelijkheid zag Spengler wel wat. Bovendien kende deze nieuwe vorm van Kultur een sterk saamhorigheidsgevoel. Spengler kon zich niet voorstellen dat het “zwakke” individualisme daar tegen op kon.

Al snel bleken de Nazi's heel anders dan hij ze had ingebeeld, en hij brak permanent met hun antisemitische waanzin. De romantische visie van een nieuwe cultuur die kon oprijzen uit de ruïnes van het Avondland, bleek een illusie. Vlak voor zijn dood voorspelde hij dat het Duitse Rijk van Hitler en zijn trawanten het niet langer dan tien jaar zou volhouden. Negen jaar later stak Hitler een pistool in zijn eigen mond. Spengler had aangegeven dat hij niet wist wat het Nazisme zou kunnen vervangen, want hij hield vast aan het idee dat het Westerse verlichtingsdenken écht voorbij was. Zou het communisme de zege grijpen? Hij vreesde er voor.

Anders dan hij zich had kunnen voorstellen, waren het niet alleen de communisten, maar óók de kinderen van de Verlichting die het Nazisme op de knieën brachten. De “zwakke individualisten” bleken bereid om te bloeden voor hun vrijheid. En ook heel anders dan Spengler zich had ingebeeld, resulteerde de patstelling tussen het Vrije Westen en het communisme niet in het instorten van het Westen. Bedreigd door tirannen wakkert het vuur de vrijheid juist aan. Een halve eeuw later was het de Sovjet-Unie die uiteenviel, terwijl de Westerse Beschaving – door Spengler al doodverklaard – nog springlevend bleek te zijn. Francis Fukuyama riep het zelfs uit tot het “einde van de geschiedenis”: niet de ondergang van het Avondland, maar de onsterfelijkheid ervan.

Nu, twee decennia na de “eindzege” van de Westerse Beschaving, lijkt Spengler tóch zijn gelijk te krijgen. Nieuwe bedreigingen zijn opgestaan, en de geschiedenis blijkt nog niet afgelopen. In een reactie op de overwinningsclaim van Fukuyama heeft Samuel Huntington een eigen werk geschreven: The Clash of Civilizations. Hij stelt dat het Westen wel degelijk te vrezen heeft van nieuwe vijanden. Hij wijst er op dat er toch echt andere beschavingen zijn dan de Westerse, en dat er tussen verschillende beschavingen onvermijdelijk botsingen zullen ontstaan. Hij wees ook al vroeg op hij feit dat in de Islamitische wereld geen helder onderscheid bestaat tussen religie en cultuur – wat volgens hem een grote bedreiging voor het erfgoed van de Verlichting kon worden. In het licht van het laatste decennium lijkt hij een sterk punt te hebben.

Toch zijn het niet externe vijanden die de ondergang van het Avondland kunnen teweegbrengen. Als we kritisch kijken, zien we dat alle bedreigingen feitelijk veel minder machtig zijn dan het Westen. De vraag is dan: waarom kunnen ze ons toch bedreigen? Hoe is het mogelijk dat radicale en totalitaire denkbeelden nog kans maken? Het antwoord is pijnlijk simpel: omdat wij het toelaten.

We blijken last te hebben van het overwinnaarssyndroom: we zijn op onze lauweren gaan rusten, en hebben niet de moeite genomen om te verdedigen wat onze dappere voorvaderen gewonnen hebben met hun bloed, hun zweet en hun tranen. We veroorzaken zélf het risico op onze eigen ondergang, omdat we de wil hebben verloren om de Westerse Beschaving te verdedigen. Niet de veroveringsdrang van onze vijanden doet ons de das om, maar onze eigen onwil om onze beschaving te redden.

We hebben zélf alle ijkpunten uit het oog verloren, en nu zijn we ons nauwelijks nog bewust van onze eigen kernwaarden. Dát is wat ons blootstelt aan bedreiging door overtuigde groeperingen die wél een heldere visie uitdragen – en meestal is die visie niet compatibel met het Westerse vrijheidsideaal. We weten best dat we dit zelf in de hand hebben, maar lijken toch te verzakken in defaitisme. We vragen ons dagelijks af wat er van onze beschaving is geworden, maar we doen niets om de essentie van die beschaving weer terug te vinden. Daarmee zijn we onze eigen aartsvijand.

Als de Westerse Beschaving voorgoed ten onder gaat, als het Avondland ten val komt, zal dat niet zijn omdat ze door een sterkere vijand ten val is gebracht, maar omdat wij haar in de steek hebben gelaten. Dit zou de meest verschrikkelijke en onomkeerbare dwaling uit de geschiedenis zijn, en daarom moeten we het voorkomen – nu het nog kan. De Westerse beschaving is het redden waard.

Er is veel te doen, eer we van een voltooide redding mogen spreken. Overal om ons heen zien we de tekenen van verval. Waar staan we nog voor? Als ondankbare kinderen hebben we de waarden in de steek gelaten waar we alles aan te danken hebben. De Verlichting stond ons toe om het dogmatisme te verwerpen, om te gaan redeneren vanuit de vrije, individuele mens. Met het wegvallen van de oude dogma's ontstond geen morele leegte, maar juist een vervulling: vrijheid bleek de grootste inspiratiebron van onze identiteit. Daarin ligt de kern van de Westerse Beschaving, en de oorsprong van onze kracht.

We moeten echter onder ogen zien dat óók de oorsprong van onze huidige zwakte al aanwezig was in het Verlichtingsdenken. Niet omdat er iets mis mee is, maar omdat we onze waarden niet op consequente wijze naleven. In onze drang om het dogmatisme te relativeren, is de relativering zélf een dogma geworden. We zijn langzaam vergeten dat vrijheid ons doel is, en zijn ook onze vrijheidsliefde gaan relativeren. Als uiterste consequentie van dit proces zijn we tolerant geworden voor intolerantie. In naam van de vrijheid staan we inbreuken op de vrijheid toe. We zijn een samenleving geworden waarin sentimenten van haat worden bedekt met de mantel der liefde.

Wie kritiek heeft op deze gang van zaken, wordt zélf beschuldigd van intolerantie – of erger. Tolerantie van andere denkbeelden, een middel om vrijheid te bereiken, is een doel op zichzelf geworden. Onze doorgeslagen relativering heeft er toe geleidt dat we onze eigen principes niet meer vertrouwen. We zijn nergens meer zeker van, en durven daarom ook geen grenzen te stellen voor wat écht onaanvaardbaar is. We hebben onszelf kapotgerelativeerd.

Wat overblijft is leegte. Als alles relatief is, is niets nog zeker, en heeft niets meer betekenis. We zijn gevangen in ons eigen nihilisme, zonder enig aanknopingspunt. We proberen uit die leegte te klimmen, zoeken naar betekenis, en vinden niets. Zie hier het ware gezicht van onze vijand: niet een beeld van een ander, maar een duistere spiegel. We kunnen iedere externe dreiging afwenden, maar ons eigen doorgeslagen relativering heeft ons opgesloten in een wereld zonder waarde.

Uit zo'n duister oord is het moeilijk weg te komen. Dit wordt nog erger omdat we naar ontsnapping zoeken op de verkeerde plaats: de uitweg is niet vindbaar door verder in het duister te stommelen en alles nóg meer te relativeren. Het antwoord ligt niet in de leegte, maar in alles dat we verzaakt hebben: de principes van de Verlichting.

We hebben ze verraden, maar we zijn ze nooit vergeten. Alles dat we hoeven te doen, is de Verlichting opnieuw omarmen. Neem de vrijheid van ieder mens als leidraad, en de Westerse Beschaving herrijst in al haar glorie. Als je immers trots bent op je vrijheid, dan wil je die ook verdedigen. En dan zie je ook direct in waarom iemand die je vrijheid wil afnemen, geen tolerantie verdient.

De ondergang van het Avondland is nog geen besloten zaak. We zijn verzwakt in onze overtuiging, en daarmee ook in onze daadkracht, maar het is nog niet te laat. De strijd van de beschavingen, de strijd om het Avondland, is nog in volle gang. Hoe vaak heeft het al niet geleken alsof alles al verloren was? Onze beschaving heeft al vele malen onder vuur gelegen. In het jaar 732 leek het Christelijke Europa verloren, tot Karel Martel de veroveraars terugsloeg bij Poitiers. Tot tweemaal toe hebben de Turken voor de poorten van Wenen gestaan, en tot tweemaal toe zijn ze verslagen. Keer op keer is het Avondland bedreigd, en keer op keer bleek vrijheid sterker dan onderdrukking. In 1922 stond Oswald Spengler al met de pen in de hand om de overlijdensakte van Europa te tekenen. De vrijheid herleefde, tegen al zijn verwachtingen in.

De waarden van de Verlichting – ze vormen het erfgoed van onze cultuur, de bron van onze beschaving. Ze zijn sterker dan enige overtuiging die onze vijanden ons in het gezicht zouden smijten. In onderdrukking willen de meeste mensen niet eens leven, maar voor vrijheid zijn ze bereid te sterven. Wij, de mensen van het Westen, hoeven ons deze waarheid alleen maar te herinneren. Het is mijn vurige hoop dat de ogen van het Westen spoedig zullen openen, en ik voel mij gesterkt in de wetenschap dat die hoop niet onrealistisch is. Hoe sterker de bedreiging wordt, hoe groter ook de drang naar vrijheid. Dat is altijd zo geweest.

Oswald Spengler, de geboren cultuurpessimist, kon zich niet voorstellen dat het Avondland zou kunnen voortbestaan. Wie kan er vechten tegen de ondergaande zon? En inderdaad, de Westerse Wereld bevindt zich altijd in dat magische moment dat de zon de aarde of de zee lijkt te raken. Als we stoppen te geloven in de waarden van ons Avondland, dan valt de nacht. Maar zolang we vasthouden aan de principes van onze beschaving, en bereid zijn ervoor te strijden, zal de zon voor eeuwig nét boven de horizon hangen, en nooit ten onder gaan. Wij zelf zijn verantwoordelijk voor de loop der geschiedenis. Wij zelf maken het verschil tussen licht en duister, door moed te tonen en niet op te geven. Door te strijden om het Avondland.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen