zaterdag 29 juni 2013

De zekerheid van goud


Aurum per medios ire satellites
Et perrumpere amat saxa potentius
Ictu fulmineo.

“Goud passeert met gemak oplettende wachters
en geniet ervan om zelfs de hardste steen te doorbreken
met de kracht van een donderslag.”

— Horatius, Ode III.16, regel 12



Dit artikel is opgedragen aan Brecht Arnaert, die er ongetwijfeld veel van zijn eigen inzichten in zal herkennen. Ik schrijf dit met dankbaarheid voor onze vele gedachtewisselingen, en met de wens dat er nog veel meer mogen volgen.



De economie verkeert in zwaar weer, en alleen de zekerheid van goud kan ons veilig door de storm brengen. Nu is een terugkeer naar de gouden standaard vandaag de dag beslist geen breed gedragen idee onder economen, maar toch is het precies wat we eigenlijk nodig hebben.

De veelgehoorde afkeer van een gouden standaard berust op aannames, dogma’s en een gebrek aan economische kennis. Steevast beweren de volgelingen van John Maynard Keynes dat herstel van de gouden standaard ons verschrikkelijk onheil zou brengen. Hun grote voorganger was immers tegen de gouden standaard, en ook vandaag slikken Keynesianen dat verhaal als zoete koek. Ze laten geen kans voorbij gaan om goud te besmeuren met hun venijnige kritiek, maar ze hebben het fout.

Het onheil dat ze zo zeggen te vrezen is hier al, en het is juist ontstaan omdat we de gouden standaard verlaten hebben. Hun probleem is dat ze hun held, Keynes, zien als een economisch genie. In realiteit was hij helemaal geen econoom, maar een ideoloog. En al veel te lang hebben wij geluisterd naar zijn ideologisch gemotiveerde vooroordelen. Al veel te lang betalen wij daarvoor een hoge prijs. Tijd om het goud eens op te poetsen, want onder het vuil van de Keynesiaanse dogma’s blinkt het nog steeds.


De gouden standaard

Allereerst: waarover hebben we het precies? Het feit dat er veel mensen zijn die niet eens weten wat een gouden standaard eigenlijk is toont wel aan hoe compleet het idee aan de kant is geschoven. Daardoor zullen we ons echter niet laten weerhouden: het zal niet voor het eerst zijn dat een goed idee genegeerd wordt door de gevestigde orde.

Een gouden standaard wil zeggen: een muntsysteem waarin de economische rekeneenheid een vast gewicht aan goud is. We kunnen hierbij onderscheid maken tussen een gedeeltelijke gouden standaard en een volledige gouden standaard. De gedeeltelijke gouden standaard wil zeggen dat de waarde van geld formeel gekoppeld is aan goud, maar er méér geld in omloop is dan er goudreserves zijn. De volledige gouden standaard, daarentegen, betekent ofwel dat er net zo veel goudreserves zijn als er geld in omloop is (en de geldvoorraad dus volledig gedekt is door goud), ofwel dat men daadwerkelijk met goud betaalt (en goud dus het geld is).

In dit artikel zal hierna uitsluitend gesproken worden over de volledige gouden standaard, en alle verdere verwijzingen naar een gouden standaard mogen worden verstaan als verwijzingen naar een volledige gouden standaard.

Geld, welke vorm het ook aanneemt, is ons ruilmiddel, dat representatief is voor economische waarde. Dit betekent: de totale hoeveelheid geld staat gelijk aan de totale waarde van de economie. Een munt of een biljet vertegenwoordigt daar een fractie van. Het hanteren van een gouden standaard heeft tot gevolg dat goud deze rol vervult: de totale waarde van al het gedolven goud ter wereld komt gelijk te staan aan de totale waarde van de wereldeconomie. Dit betekent dat ieder percentage van de totale goudhoeveelheid precies zoveel waard is als dat percentage van de wereldeconomie. De wereldeconomie groeit jaarlijks. De totale goudhoeveelheid groeit óók, maar langzamer. Dat betekent dat iedere gram goud ieder jaar méér waard wordt. Dit is niet vatbaar voor manipulatie: een overheid kan papiergeld bijdrukken, maar met goud kan dat niet.

Dit is de reden waarom bepaalde economen in het verleden fel tegen de gouden standaard waren. De realiteit van de gouden standaard maakte het beleid dat zij graag uitgevoerd wilden zien simpelweg onmogelijk.


Keynes: de ideoloog vermomd als econoom

Wellicht de belangrijkste tegenstander van de gouden standaard, en in ieder geval de meest bekende, was John Maynard Keynes, de man die de gouden standaard afdeed als “dat barbaarse relikwie”. Hij walgde van het baseren van de geldvoorraad op “dood metaal”. Ten eerste omdat zoals gezegd de economie sneller groeit dan de beschikbare hoeveelheid goud, en goud dus voortdurend méér waard wordt. Keynes geloofde dat dit recessies altijd erger maakt. Hij veronderstelde dat mensen hun aankopen zullen uitstellen als hun geld meer waard wordt: morgen kan men dan immers méér kopen voor hetzelfde geld.

Het tweede argument van Keynes tegen de gouden standaard was dat het overheden de mogelijkheid ontneemt om recessies te bestrijden door de geldpers aan te zwengelen. Keynes geloofde heilig dat het de economie zou helpen als de overheid méér geld kon maken, en dit dan in omloop bracht. Mensen hadden dan immers meer te besteden, hun vertrouwen zou terugkeren, en dan zou een recessie snel voorbij zijn.

Op het eerste gezicht lijken dit bijzonder treffende bezwaren, en Keynes en zijn medestanders wisten dan ook veel steun te verwerven. De leer van Keynes werd omarmd door politici die grootschalige overheidsinterventie in de economie als wenselijk zagen. Keynes nam immers als uitgangspunt dat de overheid de economie moet besturen. Hij zag het niet alleen als wenselijk, maar zelfs als noodzakelijk.

De Keynesiaanse opvatting—dat recessies bestreden moeten worden door geld bij te drukken en dit vervolgens in de economie te injecteren—leidt namelijk tot prijsstijgingen. Keynes zelf ontkende dit zelf echter bij hoog en bij laag.

Volgens het Keynesiaanisme zit het allemaal heel anders: prijzen stijgen niet omdat er te veel geld in de economie geïnjecteerd is, maar omdat er te weinig productie is. Een Keynesiaan overweegt geen moment dat die geldinjectie gewoon het probleem is. Die geldinjectie was noodzakelijk. De economische productiviteit heeft de nieuwe hoeveelheid geld gewoon nog niet ingehaald, dus nu moet de economie door de overheid aangezwengeld worden.

Deze houding is kenmerkend voor de denkwijze van Keynes. Op geen moment beschrijft Keynes de werkelijkheid (zoals een econoom hoort te doen); hij schrijft voor hoe de werkelijkheid volgens hem zou moeten zijn.

Economie—economische wetenschap—is simpelweg te beschrijven als de studie van waardecreatie. Dat is niet waar het Keynesianisme zich mee bezighoudt. Een Keynesiaan bestudeert niet, als een wetenschapper, maar geeft een mening over wat de politiek volgens hem moet doen om de werkelijkheid in overeenstemming te brengen met het Keynesiaanse dogma. Ze zien de economie dus als een machine die centraal bestuurd moet worden. Keynes zelf kwam met die vergelijking. Is dit economische wetenschap? Beslist niet. Standpunten inzake de vraag hoe iets bestuurd moet worden zijn geen economische principes, maar politieke meningen. De Keynesiaanse leer is geen wetenschappelijke theorie, maar een politieke ideologie.

Een ideologie is geen theorie, en kan niet getoetst worden aan de feiten. Zo is er geen enkel objectief bewijs voor de Keynesiaanse aanname dat een centraal gestuurde economie beter functioneert dan een onbestuurde markt. Integendeel. Het steeds opnieuw injecteren van geld in de economie blijkt een dwaalspoor. Het resultaat is geldontwaarding en steeds verder dalende koopkracht. Centrale sturing van de economie werkt niet. Ongedekt geld zonder intrinsieke waarde werkt niet. De theorie van Keynes werkt niet.

Voor de Keynesiaanse ideologen maken deze feiten echter niets uit. Dat is geen verrassing: het ligt in de aard van het Keynesianisme om de werkelijkheid niet te beschrijven, maar deze te willen herschrijven. Keynesianen zullen daarom hun dogma’s verdedigen, hoeveel feiten men er ook tegenin werpt. Want welk bewijs er ook is, het dogma is de waarheid; het is altijd de realiteit die fout is, de realiteit die aangepast moet worden middels economische kunstgrepen.

De ideologie van Keynes is, ondanks haar talrijke mankementen, gretig omarmd door politici en bestuurders die daar hun voordeel mee konden (en kunnen) doen. Het economisch beleid van alle staten in het Westen heeft een duidelijk Keynesiaanse invloed, en de gouden standaard is afgeschaft, precies zoals Keynes wilde. We hoeven slechts de kranten open te slaan om de nog immer doorwerkende invloed van Keynes te kunnen aanschouwen: de huidige crisis wordt door alle Westerse overheden aangepakt naar Keynesiaans voorbeeld. Toch lijkt de crisis nog lang niet voorbij. En ook crises in het verleden die zijn “bestreden” zoals Keynes het aanraadde duurden steeds bijzonder lang… terwijl recessies in de tijd van de gouden standaard veel sneller over waren.

Keynesianen mogen het dan dogmatisch ontkennen, Keynes zat er grondig naast met zijn denkbeelden. Hij baseerde zijn opvattingen op aannames en drogredeneringen, waardoor hij goed klinkende fabels verkondigde als heilige waarheden. En helaas gelden die fabels bij veel te veel mensen ook nu nog als waren het feiten. Zoals de Keynesiaanse fabels over inflatie, deflatie, en de gouden standaard. Het is nu tijd om die fabels te ontmantelen, en naar de feiten te kijken.


Inflatie: de economische sluipmoordenaar

Allereerst inflatie. Om maar eens te beginnen met het feit dat Keynes niet eens correct wist te beschrijven wat het eigenlijk is. Het woord betekent letterlijk “opblazing”, en de oorspronkelijke betekenis is wat nu monetaire inflatie heet. Dat wil zeggen: het toenemen (en dus “opblazen” oftewel “inflateren”) van de hoeveelheid geld. Keynes beschreef iets heel anders, namelijk prijsinflatie, oftewel een stijging van het algemeen prijspeil. Tegenwoordig bedoelen mensen maar al te vaak dat laatste, wanneer ze over inflatie spreken. Keynes heeft de definitie van het woord vervuild.

Wat Keynes duidelijk niet besefte (en wat zijn volgelingen nog steeds niet beseffen) is dat prijsstijgingen het gevolg zijn van (monetaire) inflatie. De totale hoeveelheid geld is gelijk aan de totale waarde van de economie. Voor goud betekent dit dat de economie sneller groeit dan de goudvoorraad, en het goud voortdurend in waarde stijgt. Ongedekt papiergeld kan men echter naar hartelust bijdrukken, met als gevolg dat de geldhoeveelheid sneller groeit—inflateert!—dan de economie. Dan vertegenwoordigt ieder biljet, iedere munt, dus een steeds kleiner deel van de totale waarde van de economie. Het gevolg: geld wordt voortdurend minder waard.

Als het geld constant in waarde daalt, stijgen de prijzen van goederen en diensten voortdurend. Een aanbieder daarvan moet immers méér geld verdienen om dezelfde waarde over te houden aan de transactie. Dat, op zijn beurt, zorgt er weer voor dat de consument méér geld moet ontvangen om dezelfde koopkracht te behouden. Vandaar dat niet alleen de prijzen, maar ook de lonen jaarlijks stijgen (de welbekende “inflatiecorrectie”, die door de overheid wettelijk wordt verplicht in ons land—een direct gevolg van inflatoir geldbeleid).

Hiermee zou volgens de Keynesiaanse leer de balans weer hersteld moeten zijn. De ene kunstgreep volgt de andere op; de prijzen zijn gestegen, maar de lonen ook. Volgens de Keynesiaan is alles weer in orde. Maar nee, dat lost de problemen in realiteit helemaal niet op, om twee verschillende redenen.

De eerste reden is dat inflatie iedere vorm van vermogen aantast. Anders dan de lonen wordt het vermogen van mensen namelijk niet gecorrigeerd voor de ontwaarding van het geld. Het tegoed op uw rekening niet. Het geld in uw oude sok ook niet. Uw pensioen slechts in beperkte mate—en in tijd van economische crisis simpelweg… niet.

De gevolgen daarvan zijn gemakkelijk te illustreren aan de hand van een eenvoudig voorbeeld. Laten we eens uitgaan van de huidige situatie. Stel, u heeft een spaarrekening met een saldo van 10.000 euro. U ontvangt een jaarlijkse rente van 2%, en het is uw bedoeling om daar over 50 jaar uw pensioen mee aan te vullen. Over 50 jaar, in 2063, zal er dankzij de cumulatieve rente een saldo van 26.916 euro op uw rekening staan. Dat is toch mooi, nietwaar? U heeft niets met dat geld gedaan, en het is flink méér geworden—een rendement van ruim 169%.

Helaas… inflatie. Die is óók zo’n 2% per jaar. Dat heeft tot gevolg dat iedere euro per jaar 2% minder waard wordt. Dat manifesteert zich in het stijgen van de prijzen… gedurende 50 jaar met, u raadt het al, ruim 169%. Uw saldo is gestegen, maar de prijzen zijn dat ook. U kunt in 2063 voor 26.916 euro kopen wat u in 2013 voor 10.000 euro kon kopen. De inflatie heeft in feite de toegevoegde waarde van uw spaarrente geheel opgeslokt. Vanzelfsprekend is dit een vereenvoudigd voorbeeld, maar het is dikwijls zo dat de inflatie gelijk staat aan de gemiddelde spaarrente, of deze zelfs overstijgt…

Inflatie is, kunnen we concluderen, niets anders dan een belasting op alle vormen van vermogen. Uw spaargeld, uw pensioen, en zelfs het geld dat u als appeltje voor de dorst in een oude sok had gestopt—de echte waarde ervan daalt ieder jaar verder.

De tweede reden is dat inflatie een funeste loon-prijsspiraal veroorzaakt. De verplichting tot jaarlijkse loonsverhoging betekent dat de loonkosten steeds hoger komen te liggen. De producent verhoogt zijn prijzen, als gevolg van inflatie, om dezelfde opbrengst te kunnen genieten. Niet om méér te gaan verdienen, maar om hetzelfde als voorheen te blijven verdienen. Vervolgens wordt hij verplicht alle lonen te verhogen, waardoor hij alsnog minder verdient dan voorheen: er gaat meer geld op aan loonkosten. De enige mogelijke uitweg is vervolgens om de prijzen verder te verhogen. Dit gebeurt dan ook structureel, waardoor er een loon-prijsspiraal ontstaat.

Laten we bijvoorbeeld eens de prijzen van 50 jaar geleden bekijken. Dit is moeilijk om goed te illustreren in euro’s, omdat deze munt in 1963 nog niet bestond; dat maakt vergelijkingen minder overzichtelijk. Een vergelijking in dollars illustreert de zaak echter perfect: wat vandaag 50 dollar kost, was in 1963 te koop voor slechts 6,74 dollar. De prijsstijging gedurende 50 jaar is maar liefst 642% geweest!

Dat is het gevolg van de loon-prijsspiraal. Het geld wordt minder waard, de producent verhoogt de prijzen om hetzelfde over te houden, de producent wordt vervolgens gedwongen de lonen te verhogen waardoor hij toch minder overhoudt, de producent verhoogt de prijzen verder om dat te corrigeren, de werknemers (tevens consumenten) eisen loonsverhoging, de producent houdt daardoor weer minder over, en verhoogt zijn prijzen wederom… Dit gaat natuurlijk eindeloos door. Op langere termijn is dit een dodelijk gif voor de economie, omdat het zowel de kosten van arbeid als de prijzen van goederen en diensten steeds verder opdrijft. Dat is een ramp voor de internationale concurrentiepositie van een land.

Al met al toont de praktijk duidelijk aan dat de ideeën van Keynes helemaal niet zo goed werken als men geloofde (en helaas nog steeds veel te vaak gelooft). Inflatie brengt verschrikkelijke ellende met zich mee. Zou herinvoering van de (volledige) gouden standaard die ellende oplossen? Jazeker, en ik zal u vertellen waarom. Een gouden standaard doet precies het tegenovergestelde van het Keynesiaanse beleid: er is dan deflatie, in plaats van inflatie!


Deflatie: het beste dat een economie kan overkomen

De totale hoeveelheid gewonnen goud neemt jaarlijks namelijk toe met een gemiddelde 1,35%. De wereldeconomie, daarentegen, groeit jaarlijks met een gemiddelde 3%—oftewel 1,65% méér dan de goudhoeveelheid. Er ontstaat gemiddeld 1,65% méér economische waarde in een jaar dan er nieuw goud gedolven wordt. In geval van een gouden standaard (waarbij de totale waarde van al het gedolven goud ter wereld gelijk komt te staan aan de totale waarde van de wereldeconomie) wordt iedere gram goud jaarlijks 1,65% méér waard.

Dus stel nu eens dat er een gouden standaard is, en u zet géén 10.000,- euro op de bank. In plaats daarvan koopt u goud voor die 10.000,- euro. Dat is ruim 250 gram puur goud. Laten we het voor de overzichtelijkheid even op exact 250 gram houden. U laat dit goud 50 jaar lang in een kistje liggen. Ieder jaar wordt het 1,65% méér waard. Als u het kistje opendoet in 2063 is de inhoud ruim 2,27 keer zo veel waard als 50 jaar eerder. Dat wil zeggen: de wereldeconomie is sneller gegroeid dan de goudhoeveelheid, en de prijzen zijn om die discrepantie te corrigeren met 1,65% per jaar gedaald, waardoor u in 2063 met uw 250 gram goud 2,27 keer zo veel kunt kopen als in 2013.

Wie nu cynisch denkt dat winkeliers hun prijzen echt niet gaan verlagen, heeft het fout. De wereld heeft namelijk lange tijd een gouden standaard gekend, en daardoor ook een lange tijd van voortdurende deflatie. En wat bleek? De prijzen daalden zo ongeveer maandelijks. Overigens kan goud, bij hoge uitzondering, wel inflateren—namelijk als er maar in voldoende hoeveelheid méér goud wordt gedolven. Men zag in de tijd van de gouden standaard ook dat er tijdens een gold rush wel sprake was van inflatie, omdat de procentuele groei van de wereldwijde goudhoeveelheid groter was dan de procentuele groei van de wereldeconomie. Dat was echter hoogst uitzonderlijk en zeer tijdelijk. In de regel betekent een gouden standaard dat er deflatie zal zijn, en de trend over meerdere jaren zal altijd deflatoir zijn.

Tegenstanders van de gouden standaard noemen vaak precies die factor als hun grote argument: “maar dan komt er deflatie!” Ze zijn daar bang voor, omdat ze de gevolgen niet goed overzien. Net zoals ze inflatie ten onrechte als een acceptabel of zelfs positief fenomeen beschouwen, zo menen ze (eveneens ten onrechte) dat deflatie negatief is voor economie en samenleving.

Hun argument berust op exact dezelfde incorrecte aannames als hun visie op inflatie, maar dan in spiegelbeeld. Ze geloven dat als goud steeds méér waard wordt, iedereen zijn goud zal bewaren. Iedereen zal grote uitgaven zo lang mogelijk uitstellen, en niemand zal zijn goud willen uitlenen of investeren. Dit schrikbeeld is echter volledig incorrect. Sparen wordt weliswaar aantrekkelijker, maar betekent dit dat niemand nog grote aankopen zal doen of zal investeren? Integendeel.

Allereerst: het feit dat sparen aantrekkelijk is, maakt het niet minder aantrekkelijk om goud uit te lenen of te investeren. De rente die een mens daarover ontvangt wordt immers uitbetaald in hetzelfde—méér waard geworden—goud. Dit is wat tegenstanders van de gouden standaard niet begrijpen. Ze denken in geldsommen die geheel kunstmatig zijn. Ze kijken nu naar de goudkoers en vragen: “hoeveel geld is mijn goud waard?” Wanneer ze een gouden standaard overpeinzen blijven ze op die manier denken. Dat is geheel fout, want de correcte vraag is dan: “hoeveel goud is mijn geld waard?”

In geval van een gouden standaard wordt niet gerekend in dollars of euro’s, maar in grammen goud. Rente is geen percentage van een giraal bedrag zonder intrinsieke waarde, maar een percentage van een goudmassa. Als iemand—hypothetisch—een kilo goud leent, tegen een jaarlijkse rente van 5%, en hij betaalt het na een jaar terug, dan dient hij dus één kilo en vijftig gram goud te betalen. Degene die hem de kilo goud heeft geleend profiteert alsnog van de waardestijging van het goud… en van de rente.

Hetzelfde geldt voor investeringen. Ook rendementen op een investering worden uitbetaald in goud. Dat illustreert meteen één van de twee redenen waarom het idee dat mensen geen grote uitgaven meer zullen doen niet klopt: de waarde van de meeste grote aankopen—zoals vastgoed—neemt óók gewoon toe als de waarde van het goud toeneemt. In feite is zo’n uitgave niets anders dan een investering.

De tweede reden waarom mensen alsnog grote uitgaven zullen doen heeft vooral betrekking op de uitgaven die doorgaans geen investering zijn, zoals de aankoop van een auto. Het lijkt gunstig om dit uit te stellen, omdat je dan een duurdere auto kan kopen voor dezelfde hoeveelheid goud… maar wat men daarbij vergeet is dat je niet van de auto geniet totdat je hem koopt. In theorie lijkt het heel leuk om de koop uit te stellen. In theorie is het de beste keus om het permanent uit te stellen, omdat je eigenlijk altijd zeker weet dat je morgen een duurdere auto kan kopen voor hetzelfde goud. En dan heb je dus je hele leven geen auto.

Dat is het probleem met de theorieën van Keynes in het algemeen, en ook weer met zijn theorie over de gouden standaard: het klopt enkel op papier, als een soort logisch raadsel. In de praktijk wil een mens genieten van een leuke auto, dus maakt hij een afweging. Enerzijds de mogelijkheid om een steeds duurdere auto te kunnen kopen, tegenover anderzijds de mogelijkheid om er langer van te genieten. Hoe de beslissing uitvalt zal verschillen van persoon tot persoon, maar je moet als een Keynesiaan zo dom zijn om te geloven dat mensen echt hun aankopen eeuwig gaan uitstellen.

Voor de verstokte Keynes-adepten die deze argumenten weigeren te accepteren: zelfs in het absoluut hypothetische geval dat er merkbaar méér mensen hun grote uitgaven zullen gaan uitstellen in geval van een gouden standaard, zou deze situatie zich vanzelf herstellen.

Als iedereen “op zijn geld gaat zitten” dan kan de economie immers alleen nog maar groeien door de ogenblikkelijke herinvestering van de cashflow van bedrijven. Van leningen of investeringen is geen sprake meer. Omdat mensen hun uitgaven in dit hypothetische geval óók nog eens uitstellen zal de cashflow van bedrijven eveneens merkbaar afnemen. De economische groei zal dan sterk teruglopen. En in geval van een gouden standaard is de totale waarde van al het gedolven goud ter wereld gelijk aan de totale waarde van de economie. Als de economie minder groeit (en dus minder in waarde toeneemt), dan neemt de deflatie van het goud automatisch óók af.

Het gaat dan vanzelf minder lonen om je geld op te potten, en dus kan je hogere rentes verdienen door je geld uit te lenen of te investeren. Bijna niemand doet dat immers, dus wie het wel doet verkeert in een situatie waar hij flinke eisen kan stellen. Het resultaat dáárvan is dat steeds meer mensen dat voordeel willen uitbuiten, en hun geld gaan investeren of uitlenen, waardoor de economie sneller gaat groeien, en de deflatie weer toeneemt… Kortom: er zou een stabiele feedback-cyclus ontstaan. Maar nogmaals: dat is hypothetisch. In werkelijkheid zullen mensen slechts onder extreme omstandigheden hun geld gaan oppotten. Het cruciale punt is dat zelfs als het gebeurt, het probleem zichzelf automatisch oplost.

Een gouden standaard biedt de zekerheid van geleidelijke deflatie. Anders dan Keynes beweerde is dat beslist geen last, maar juist een lust. Waar inflatie een belasting op iedere vorm van vermogen vormt, een straf voor verantwoordelijkheid en succes, is deflatie juist een beloning voor verstandige keuzes: een extra rente die verdiend wordt door verantwoordelijke spaarders en verstandige investeerders.

Het leidt tot een omgekeerde loon-prijsspiraal. Het goud wordt méér waard, de producent kan zijn prijzen verlagen en toch dezelfde waarde verdienen, hij hoeft zijn lonen niet meer te verhogen, en zijn werknemers (die tevens consument zijn) kunnen toch hetzelfde of méér kopen. Op een gegeven moment kan er zelfs sprake zijn van steeds lagere lonen voor nieuwe werknemers, omdat die voor minder goud toch dezelfde koopkracht zullen hebben. De economie zal dag na dag sterker worden.


Goud geld is goed geld

Het moge duidelijk zijn dat de bezwaren tegen de gouden standaard berusten op een volstrekt onjuiste interpretatie van de feiten, en dat een herinvoering van de gouden standaard juist de actieve steun van ieder weldenkend mens verdient. Het is niet eens complex in de uitvoering, maar de overheid zal wel haar monetair beleid volledig moeten afschaffen.

Op dit moment gaan overheden over het scheppen en reguleren van geld. Ze bepalen welke betaalmiddelen wettelijk geldig zijn. Het is verboden voor burgers en bedrijven om eigen valuta in het leven te roepen, en evenmin is het toegestaan om een wettig betaalmiddel niet te accepteren. Door dat beginsel geniet de overheid een monopolie op geld, en zijn alle burgers overgeleverd aan in principe waardeloos papier en blik dat niet is gedekt door goud of enige andere reële waarde.

Om een gouden standaard in het leven te roepen, is het enkel nodig om van dat perverse principe af te stappen, en iedereen vrij te laten om ten eerste een eigen valuta te beginnen, en ten tweede zelf te bepalen welke valuta hij accepteert als betaalmiddel. Gegeven de keuze tussen waardeloos blik en papier enerzijds en de zekerheid van goud anderzijds zal ieder weldenkend mens kiezen voor goud. Mensen zullen biljetten die niet gedekt zijn door goud simpelweg niet accepteren als betaalmiddel, waardoor er automatisch een gouden standaard ontstaat.

Vanzelfsprekend is betaling in concreet goud (bijvoorbeeld met gouden munten) in principe net zo goed mogelijk als betaling met goudbiljetten, maar omdat goud steeds verder in waarde stijgt zouden de munten uiteindelijk erg klein gemaakt moeten worden. Goudbiljetten zullen in de praktijk het circulerende betaalmiddel worden. De gouden standaard legt tenslotte geen beperkingen op voor wat betreft de wijze van betalen. De enige eis is dat ieder biljet gedekt is met haar waarde in goud.

Wanneer achter elk biljet een concrete goudmassa moet steken wordt het onmogelijk om ongestraft biljetten bij te drukken. Iedere burger kan een biljet dat hij niet vertrouwt weigeren te accepteren, en eisen dat men hem betaalt met een betrouwbaar biljet of met goud. Slechte biljetten worden dan razendsnel van de markt gedreven.

Er zijn mensen die niet geloven dat de markt zichzelf op die wijze zal corrigeren, en ter ondersteuning van hun scepticisme halen ze graag de wet van Gresham aan: “Bad money drives out good money”. Ze beweren dan dat bankiers onvermijdelijk toch zullen gaan knoeien met het geld, en ongedekte biljetten zullen gaan uitgeven. Ze vergeten voor het gemak dat Gresham dit schreef naar aanleiding van het feit dat Henry VIII veertig procent van het zilvergehalte van de Engelse shilling had vervangen met waardeloos metaal. Gresham adviseerde Elizabeth I juist om het zilvergehalte te herstellen, hetgeen ze ook deed. Wat Gresham eigenlijk zei was dat overheden de neiging hebben om te knoeien met de deugdelijkheid van het geld.

In geval van een vrije markt geldt juist dat goed geld automatisch slecht geld verdrijft, zoals de Griekse schrijver Theognis als opmerkte in de zesde eeuw voor Christus. Hij schreef dat alle weldenkende mensen het snel doorhebben als een oplichter legeringen van goud en zilver wil aanbieden alsof het puur goud is, en dat niemand een slechter ruilmiddel accepteert als een beter voorhanden is.


De gouden standaard in de praktijk

In de praktijk zal het afschaffen van alle overheidsbemoeienis met monetaire kwesties resulteren in het systeem dat in het Engels full reserve banking heet. Dit wil zeggen dat banken enkel zo veel waardebiljetten uit kunnen geven als ze aan goud beschikbaar hebben.

De biljetten van diverse banken zullen de valuta worden waarmee de burger betaald. Ieder biljet staat gelijk aan een bepaalde goudmassa, en een bank kan niet méér biljetten in omloop brengen dat zij goud heeft. In theorie mogen banken ook kiezen om ongedekte biljetten uit te schrijven—zoals alle banken vandaag de dag doen—maar wie zou dat risico willen nemen, als hij óók de mogelijkheid heeft om voor de zekerheid van goud te kiezen? Wie zou betaling accepteren in biljetten die hij niet kan inwisselen voor goud?

Het resultaat is dat er een de facto gouden standaard ontstaat. Gedekte goudbiljetten van betrouwbare banken zullen overal geaccepteerd worden; ongedekte biljetten en goudbiljetten van onbetrouwbare banken (bijna) nergens. Banken die hun klanten proberen op te lichten gaan dan spoedig failliet, want niemand zal hun biljetten nog vertrouwen of goud in hun kluizen bewaren. Banken die niet méér biljetten uitgeven dan zij goud in de kluis hebben, worden beloond met de loyaliteit en het vertrouwen van de klant. Eerlijkheid en verantwoordelijkheid worden automatisch bevorderd, omdat een andere strategie enkel kan resulteren in een automatische afstraffing.

Een bankier verdient in dat scenario zijn geld niet meer door méér uit te lenen dan hij echt heeft en daardoor winst op te strijken, maar door—geheel volgens afspraak—jaarlijks een klein deel van het in zijn bank veilig opgeslagen geld als betaling op te eisen. Omdat het goud jaarlijks in waarde stijgt verliest de klant er niet op, zo lang de bankier maar minder betaling eist dan er aan waardestijging plaats vindt. En bij een bank waar de kosten hoger zijn dan de waardestijging zal niemand zijn geld opslaan. Kortom: bankiers zullen worden gedwongen om… eerlijk te zijn. Banken worden weer wat ze ooit waren: niet méér dan veilige, goed bewaakte opslagplaatsen voor je goud.

Het moge duidelijk zijn dat de afschaffing van de gouden standaard een grote schare aan nadelen heeft opgeleverd, terwijl een herintroductie ervan—door middel van een vrije geldmarkt—talrijke voordelen zou opleveren. De vraag die dan opdoemt is: waarom? Als een gouden standaard zo’n goede zaak is, met zoveel gunstige gevolgen… waarom is deze dan ooit afgeschaft? En waarom wordt zij niet terstond opnieuw ingevoerd? Daar zijn twee redeneren voor. Ten eerste omdat dat te veel mensen—al dan niet bewust—geïndoctrineerd zijn met de leer van Keynes. Ten tweede omdat er partijen zijn die profiteren van het huidige systeem.

Op dit moment is het mogelijk voor overheden om geld te scheppen uit het niets, en daar rekeningen mee te betalen. Dat dit verschrikkelijke gevolgen heeft voor de economie is een bijzaak voor vele politici en bestuurders. Gelijktijdig kunnen bankiers talloze malen méér (fictief) geld uitlenen dan ze daadwerkelijk geacht worden in kas te hebben, hetgeen bijzonder uitnodigend is voor een winstbeluste bankier. Bij herinvoering van een gouden standaard ligt dat heel anders. Politici kunnen dan geen geld bijdrukken: ze zullen moeten leven van het geld dat ze daadwerkelijk binnenhalen. De onzichtbare belasting genaamd inflatie komt te vervallen. Bankiers zullen goud in kas moeten hebben.

De politici, bestuurders en bankiers die op dit moment—ten koste van de bevolking—profiteren van het Keynesiaanse stelsel zien voorstellen om een gouden standaard te realiseren beslist niet zitten. Iedere burger met gezond verstand zal het echter als muziek in de oren klinken. We worden enkel gehinderd door enerzijds de mensen die dwaas genoeg zijn om nog in de fabels van Keynes te geloven, en anderzijds de lieden die dat graag uitbuiten.

De waarheid die deze mensen maar niet onderkennen (hetzij uit onwetendheid, hetzij uit kwade wil) is dat goud altijd zal schitteren. Mensen hechten er waarde aan, en hebben dat gedurende de hele bekende geschiedenis ook al gedaan. Niemand heeft op een dag de moeite hoeven nemen om te verklaren dat goud vanaf dat moment geld was. Geheel zonder dat een overheid het hoefde te bevelen hebben mensen ontdekt dat goud het beste intermediaire ruilmiddel is dat wij tot onze beschikking hebben. Dat is een reputatie van duizenden jaren betrouwbaarheid: een betrouwbaarheid die Keynes nooit heeft kunnen bieden.

Het is tijd dat we de economie—en de mensheid—bevrijden van het Keynesiaanse dogmatisme. Het is tijd voor een scheiding van geld en staat, en voor de gouden standaard die daar onvermijdelijk uit zal ontstaan. Het recept voor een gezonde economie hebben we al. Zodra we ook de moed hebben om de instructies te volgen, kunnen we zo’n gezonde economie tot een realiteit maken. Volledig gedekt door de solide zekerheid die tot nu toe enkel wordt geboden door dat meest schitterende edelmetaal: goud.

---

De discussiedraad op Facebook over dit essay bevindt zich hier.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen