woensdag 12 juni 2013

Amerika werd groot als libertarische samenleving


Als libertariër, en dus pleitbezorger van zo min mogelijk overheid, moet ik maar al te vaak horen hoe onrealistisch dat denkbeeld zou zijn. “Een libertarische samenleving heeft nooit bestaan,” heet het dan.

Die triomfantelijke dooddoener zou moeten aantonen dat de maatschappij niet kan bestaan zonder een grote en zorgzame overheid. Ten eerste is dit niet bepaald een geldig argument: dat iets niet eerder heeft bestaan betekent geenszins dat het nooit kan bestaan. Als dat immers het geval was, dan leefden wij nog in grotten, gehuld in dierenvellen.

Ten tweede, en wellicht nog veel belangrijker: de uitspraak klopt gewoon niet. Er hebben diverse libertarische samenlevingen bestaan in de menselijke geschiedenis. Samenlevingen met een minimale overheid en maximale persoonlijke vrijheid. Niet alleen hebben ze bestaan: ze bleken keer op keer extreem succesvol.
Een voorbeeld daarvan is het IJslands Gemenebest, dat bestond tussen 930 en 1262. De meeste mensen zien IJsland tegenwoordig als niet méér dan een rotsachtige massa in de Noord-Atlantische Oceaan, maar het Gemenebest was dankzij haar vrijheid zo uitnodigend voor handelaars en vrije geesten dat het een succesvol en rijk land was. De enige reden dat het Gemenebest ten onder ging was dat Noorwegen alles op alles zetten om het eiland in te lijven, hetgeen uiteindelijk lukte.

Een ander voorbeeld van een libertarische samenleving in onze geschiedenis, een voorbeeld dat wellicht herkenbaarder is voor de meeste mensen, is zo ongeveer de hele Westerse beschaving gedurende de negentiende eeuw. De overheden destijds namen niet of nauwelijks méér taken op zich dan politie, justitie en defensie. Diverse Europese samenlevingen neigden echter wel naar een morele bekrompenheid, met als gevolg diverse kleinburgerlijke zedenwetten. De VS hadden daar gedurende de negentiende eeuw gelukkig veel minder last van (de politieke preutsheid ontstond daar pas begin twintigste eeuw). De zeden werden daar bewaakt door burgerlijke trots, niet door repressie via de wet.

U zoekt dus een succesvolle libertarische samenleving? De VS tussen 1776 en 1897 zijn een prima voorbeeld. Vanzelfsprekend zijn ook daar van tijd tot tijd jammerlijke inbreuken gemaakt op de vrijheid van de burger, maar dat waren steeds uitzonderingen. Het karakter van de VS was in principe libertarisch. Avant la lettre natuurlijk, want het woord bestond nog niet. De gemiddelde Amerikaan zou simpelweg hebben gesproken van “a republican society”.

De overheid vormde in deze ‘res publica’ enkel een minimale nachtwakersstaat. Tot de Oorlog tussen de Staten (1861 – 1865) was er nauwelijks een leger (enkel in tijd van oorlog werd dit gevormd) en een zeer beperkte marine (die vooral werd ingezet tegen piraterij, overigens met groot succes). Ook gevangenissen waren niet overvol, want de wetboeken waren niet zo absurd dik als vandaag de dag. De federale overheid had niets te maken met infrastructuur. Als er al een overheid was die zich daar al mee bemoeide, dan was het de overheid van een individuele staat in de Unie. De meeste wegen, kanalen en spoorwegen waren echter particulier. Men betaalde voor het gebruik ervan, en dit werkte tot ieders genoegdoening.

Er waren geen directe belastingen. Er waren enkel de “tariffs” (heffingen op import en export) en “excise taxes” en “duties” (accijnzen op bepaalde luxegoederen). Deze heffingen waren extreem laag. Met de opbrengst daarvan werd de gehele overheid (zowel federaal als lokaal) bekostigd.

De grote smet op het blazoen van het verder absoluut libertarische Amerika ante bellum was natuurlijk het bestaan van slavernij: een groter inbreuk op de libertarische principes is haast ondenkbaar. Het is niet voor niets dat de “individueel-anarchisten” van de jaren 1840, 1850 en 1860 zich fel tegen slavernij keerden, en zelf anarchistische dorpen oprichtten waar dikwijls ook ontsnapte slaven een vrijhaven vonden.

Het grote manco van Amerika post bellum, daarentegen, is het feit dat de federale overheid steeds meer macht naar zich toe ging trekken. Het staande leger in vredestijd werd uitgebreid. De marine groeide ook. De federale overheid trok infrastructuur naar zich toe, waardoor private wegen en kanalen weggeconcurreerd werden door gesubsidieerde staatsbedrijven. De diverse heffingen gingen steeds een beetje verder omhoog, en er kwamen accijnzen op steeds méér goederen.

Het fundamentele probleem was dat de Republikeinse partij (de partij van Lincoln) na de oorlog de politieke almacht had. En anders dan vandaag de dag was de Democratische partij de club die een kleine overheid bepleitte, terwijl de Republikeinen juist een grotere overheid als wenselijk zagen. Toch kan nog steeds gesproken worden van een nachtwakersstaat in die jaren, en van een libertarische samenleving. Dit kwam tot een laatste uur van glorie met het eerste presidentschap van Grover Cleveland (1885 – 1889). Cleveland was feitelijk een libertariër, die de gouden standaard wist te handhaven en overal waar hij kon de overheid kleiner maakte. Wetsvoorstellen die de lasten verhoogden of de vrijheid inperkten kregen van hem standaard een veto.

Zijn opvolger, Harrison, maakte er echter een bende van door marktvervuilende wetgeving door te voeren (de Sherman Antitrust Act) en de tarieven op import en export te verhogen (het McKinley Tariff). Daarmee zou de glorietijd van de VS reeds ten einde zijn gekomen, ware het niet dat Cleveland een comeback maakte en gewoon nog een keer president werd. In zijn tweede termijn (1893 – 1897) kon hij helaas niets veel meer doen dan de groei van de overheid bevriezen.

In 1897 werd William McKinley (de man die onder Harrison de tariffs zo drastisch had verhoogd) verkozen, en was het definitief uit met de pret. Daarmee begon wat later “the first progressive era” zou gaan heten (1897 – 1921). Een tijd waarin de overheid dramatisch groeide, de VS haar lange en succesvolle traditie van non-interventie overboord wierp en zich wereldwijd met oorlogen ging bemoeien, en waarin de economie rake klappen kreeg.

De belastingen gingen omhoog (president Wilson voerde de eerste inkomstenbelasting in; dat was tien jaar eerder nog een onbespreekbare absurditeit), de regels namen toe (opeens moesten bedrijven aan allerlei overheidsinstituten verantwoording afleggen), en de vakbonden werden oppermachtig (en begonnen zich te gedragen als maffiabendes, die niet-vakbondsleden in elkaar sloegen of zelf lieten vermoorden).

De jaren ‘20 boden nog enig soelaas, onder presidenten Harding en Coolidge, maar die brave heren konden de overheid nauwelijks nog inkrimpen. Ze konden enkel de groei afremmen. Met de verkiezing van Hoover, eind jaren ‘20, kwam definitief een einde aan de libertarische samenleving van de VS. Vanaf 1897 was het vrije Amerika al ernstig gewond, opgejaagd door de progressieve wolven. 1921 — 1929 was de zwanenzang van het ware, pure Amerikaanse kapitalisme. Sindsdien is het een schim van zichzelf, en geheel verdrukt naar de achtergrond. Niet omdat een libertarische maatschappij niet werkt. Integendeel, het werkte meer dan 120 jaar uitstekend. Nee, de Amerikaanse vrijheid is weggevaagd omdat de overheid altijd zal groeien, ten koste van de vrijheid.

Het is nooit anders geweest, en wie er op vertrouwt dat een kleine overheid geen gevaar is, vergist zich deerlijk. Hij zal op een dag wakker worden en merken dat hij niet meer in een vrij land leeft. Via duizend slinkse wegen zal de overheid groter en groter zijn geworden, machtiger en machtiger — tot zij uiteindelijk groot en machtig genoeg was om niet meer te kunnen stoppen. En dan is het hek van de dam.

In de VS was dat punt in 1929 zeker bereikt… en wellicht al wel eerder. Op een ongedefinieerd moment zijn de erfgenamen van een succesvolle vrijheidsstrijd in slaap gedommeld, en vervolgens zijn al hun verworvenheden afgenomen. Het resultaat zien we vandaag de dag: “the land of the free” heeft een overheid die iedereen afluistert en bespiedt, en de mensen zijn zo afgestompt dat ze niet eens meer in opstand komen. De overheid heeft zombies van ze gemaakt.

Laat dat de les zijn die de lange geschiedenis van iedere onderdrukking en iedere vrijheidsstrijd ons kan leren. Niet dat een vrije samenleving niet kan bestaan, maar dat iedereen die vrijheid wenst te behouden allereerst moet beseffen dat de overheid onze vijand is, en altijd een gevaar voor onze vrijheid zal zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen