donderdag 16 februari 2012

De Verenigde Staten van Europa? Het zou een ramp zijn!

Al geruime tijd wankelt de Europese Unie op de rand van een afgrond, en de leiders van de EU doen ons graag geloven dat als wij hen niet vertrouwen en gehoorzamen, we er allemaal in zullen storten. In Griekenland wordt het verzet onder de bevolking tegen de zogenaamde “hulp” van de EU steeds heftiger, en dit moet – zo verzekert de Europese leiding de burgers der lidstaten – worden opgelost door méér geld en méér centrale macht. Want anders wacht ons de afgrond!

In werkelijkheid zijn het niet de lidstaten die in de afgrond dreigen te vallen, maar de politieke structuur van de EU. Wij betalen niet om onszelf te redden, en ook zeker niet om de Grieken te redden, maar om de EU in leven te houden. Desondanks willen de leiders van de Unie ons overhalen (of liever nog, dwingen) om onze soevereiniteit aan hen af te dragen. Eurofederalisten, zoals ze zichzelf noemen, pleiten luider dan ooit voor het vormen van de “Verenigde Staten van Europa”.

Thans leven we in wat formeel een confederatie is, waarin de lidstaten hun soevereiniteit behouden – ook al heeft de EU nu al federale trekjes, en dat worden er steeds méér… In geval van een federatie geven de lidstaten hun soevereiniteit op, en komt de uiteindelijke macht bij Brussel te liggen. Dit is al jaren, zo niet decennia, de droom van mensen als Guy Verhofstadt. Het liefst zouden ze de natie-staat afschaffen, een het verenigde “land” Europa scheppen. Nederland zou achterblijven als provincie van een groot geheel. Dat daarvoor wat vrijheden moeten sneuvelen, lijkt deze mensen niet te deren.

Het is onduidelijk of het ze simpelweg niet kan schelen, of dat ze zichzelf zo vakkundig voor de gek houden dat ze niet eens inzien dat hun plannen de vrijheid ernstig zouden schaden. Verhofstadt heeft herhaaldelijk ontkent dat de EU te weinig democratisch is, maar ook herhaaldelijk gezegd dat meer eenwording meteen meer democratie zal betekenen. Of hij nu glashard liegt of naast ons ook zichzelf voor de gek houdt, zijn beloftes bleken waardeloos. In Nederland heeft D66 steeds dezelfde belofte gedaan, maar in werkelijkheid is de EU alleen maar minder democratisch geworden, en hebben de lidstaten steeds meer inspraak verloren.

Als we de plannen van Verhofstadt, Van Rompuy en Barroso uitvoeren, worden we aan hun macht overgeleverd – stuk voor stuk ongekozen leiders, met op de achtergrond een praktisch machteloos Europarlement dat zelfs voor een “damp rag” als Van Rompuy moet buigen. (Om het maar te stellen in de treffende woorden van Nigel Farage, een Britse Eurocriticus die de ellendige plannen van de federalisten haarscherp weet te peilen.)

Toch gaan we steeds meer de kant op van het Eurofederalisme. De voorstanders ervan volgen tegenwoordig een politiek van incrementalisme: stukje bij beetje vergroten ze de macht van de EU, ten koste van de lidstaten. Ten koste van de burgers. Ten koste van de vrijheid.

Ze bezinnen zich echter op een grote stap; een testcase voor wat betreft het beperken van nationale soevereiniteit, namelijk die van Griekenland. Dat land is vakkundig afhankelijk gemaakt van Europese “steun”, die in werkelijkheid alleen wordt verstrekt in ruil voor gehoorzaamheid. Op deze manier wordt het Griekse parlement buitenspel gezet, en is de regering gedwongen om te handelen naar de dictaten van Brussel.

Dat het volk in Griekenland hier woedend over is, kan ik niet anders dan volstrekt begrijpelijk noemen. Natuurlijk hebben een flink aantal Grieken hun huidige problemen (in ieder geval ten dele) aan zichzelf te danken, maar een nog veel grotere groep is slachtoffer van een corrupte overheid waar zij zelf al lang geen enkele invloed meer op hebben.

Kijk er tenslotte op deze manier naar: de meerderheid der Nederlanders is tegen verdere “hulp” aan Griekenland. Tegen het wegpompen van tientallen miljarden, die we zelf van anderen hebben geleend, die we nooit meer terugzien, en die later door ons en onze kinderen met rente moeten worden terugbetaald. En toch blijft de overheid dat geld spenderen, tegen onze wil in.

In eenzelfde situatie van machteloosheid bevinden de Griekse burgers zich, met als verschil dat de onverantwoordelijkheid van hun regering nog vele mater groter was, de corruptie nog vele malen erger, en de vernietiging van hun land daarom ook al vele malen verder is gevorderd. En nu wordt van ze geëist dat zij de rekening betalen voor de ellende die ze niet zelf hebben veroorzaakt. Is het dan vreemd dat ze in opstand komen?

In Brussel gelooft men duidelijk van wel. De voorstanders van een sterke en ondeelbare Europese Unie zien de Griekse onwil om mee te werken aan hun eigen onderwerping als een gevaarlijke tendens, die snel onderdrukt moet worden. Dat is bijzonder opvallend, en ook onthullend. Je zou tenslotte verwachten dat de Eurofederalisten, die zo hoog opgeven van wederzijdse steun van de Europese volkeren aan elkaar, dan toch respect zouden hebben voor de daadwerkelijke behoeften van zo’n Europees volk – en met de Grieken samen naar een oplossing zouden willen zoeken. Het tegendeel is echter waar.

Juist de Eurocritici, die voortdurend worden beschimpt als egoïsten die zich graag achter dijken verschuilen, zijn zeer consistent in hun sympathie voor het Griekse volk. Al menig Eurocriticus (waaronder ook ondergetekende) heeft voorgesteld om de Grieken hun schulden aan ons volledig kwijt te schelden, ze hun eigen drachme weer te laten invoeren, en los van de EU hun eigen koers te laten bepalen. Die optie is constructief, en er op gericht om de Grieken toe te staan hun eigen problemen op te laten lossen in hun eigen tempo. Met de barmhartige toegift dat ze zich geen zorgen meer hoeven te maken over terugbetalingen aan ons – wij nemen simpelweg het verlies dat de Eurofederalisten hebben veroorzaakt.

Anderzijds zijn het de propagandisten van de “Europese solidariteit” die er keihard voor pleiten om het Griekse volk onder dwang in het gareel te schoppen. Hun eigen wensen en meningen doen er niet toe, en de soevereiniteit van Griekenland moet maar afgeschaft worden. Het land moet onder curatele gezet worden, en als de Grieken dat niet accepteren, dan is blijkbaar ieder middel geoorloofd om hun gehoorzaamheid af te dwingen.

We hebben dergelijke ontwikkelingen vaker gezien, en inmiddels weten we hopelijk waar dergelijke minachting voor de soevereiniteit der volkeren en de vrijheid der burgers toe leidt. Zelden is het resultaat iets om over naar huis te schrijven, want we kunnen in het algemeen één van twee mogelijke gevolgen verwachten. In de eerste situatie komt het volk woedend in opstand en rekent het op bloedige wijze af met de onderdrukkers. Denk daarbij aan de Franse revolutie, en de periode van terreur die daarop volgde. De kans is groot dat dergelijke chaos ruimte biedt voor een nieuwe onderdrukker om de macht te grijpen.

De tweede mogelijkheid is dat het verzet met brute macht gebroken wordt, en als excuus wordt gebruikt om de macht van de onderdrukkende partij verder te vergroten. Dit lijkt het streven van de Eurofederalisten te zijn, wanneer ze pleiten voor een sterkere EU ten einde de crisis het hoofd te bieden. Om te zien hoe dat in z’n werk zou gaan, hoeven we slechts naar het verleden te kijken. In het bijzonder naar het verleden van de Verenigde Staten van Amerika.

Eurofederalisten wijzen graag naar de VS als het voorbeeld voor hun gedroomde Verenigde Staten van Europa. De vergelijking is wellicht accurater dan ze zelf denken, maar dat pleit beslist niet vóór ze. De Verenigde Staten begonnen hun bestaan namelijk als een confederatie van onafhankelijke staten, en werden pas later een federatie met een veel sterkere centrale overheid. De directe aanleiding voor die verandering zal de Europeanen van vandaag de dag heel bekend voorkomen: een opstand van radeloze burgers die genadeloos werden uitgeperst door een samenwerkingsverband van de politieke en financiële elite.

De oorzaak hiervan zat ‘m in de staatsschuld die was opgebouwd tijdens de onafhankelijkheidsoorlog. Verschillende staten hadden moeite deze schuld terug te betalen, en begonnen de burgerbevolking uit te persen om zo doende het geld in te zamelen. Vooral de staten New York en Massachusetts hadden grote problemen. Laat het nu “toevallig” zo zijn dat de hoofdsteden van deze staten (New York City en Boston) de grote bancaire centra van de VS waren, en dat hun regeringen voor het overgrote deel bestonden uit de bankiers in kwestie.

Er bestond dus een incestueuze relatie tussen de politiek en de financiële top. Tegenwoordig zouden we spreken van “crony capitalism”. Deze elite had geen enkele behoefte om zelf de schulden af te betalen, dus ze kozen voor dezelfde oplossing die de grote staatsgesteunde banken ook in 2008 en 2009 kozen: het afwentelen van hun schulden op hun cliënten.

Net als in de hedendaagse crisis ging het in eerste instantie vooral om vastgoed. Veel arme boeren, vooral veteranen van de oorlog, hadden door het oplopende financiële probleem van de staten kunnen fluiten naar hun pensioen. Daarom hadden ze geld moeten lenen van de bankiers (die nota bene ook de politieke elite vormden die hun pensioen had afgepakt!), puur om een stukje land te kopen om wat op te verbouwen.

Ondanks de afwenteling van alle kosten op de gewone man kwam de politiek-bancaire elite alsnog geld tekort, waardoor verschillende staten (vooral Massachusetts) in een economische depressie terecht kwamen. Gevolg daarvan was dat de toch al arme boerenbevolking de rente op haar leningen niet meer kon betalen. De politici-bankiers, die deze situatie zelf veroorzaakt hadden, legden nu beslag op al het eigendom (inclusief de grond) van deze burgers. Duizenden mensen werden tot bittere armoede veroordeeld.

Er ontstond een opstand, geleid door één van deze aan de bedelstaf geraakte veteranen, genaamde Daniel Shays. De zogenaamde Shays’ Rebellion was er primair op gericht om verantwoordelijke regering af te dwingen, en de corrupte relatie tussen de bancaire elite en de politiek aan de kaak te stellen. De opstand werd met grof geweld uiteengeslagen, en een flink aantal opstandelingen werd ter dood veroordeeld of in het gevang gegooid.

De hypocrisie van de politieke leiders is bijzonder stuitend. James Bowdoin, de gouverneur van Massachusetts, was één van de felste voorstanders van verzet tegen de onderdrukkende Britse regering ten tijde van de onafhankelijkheidsstrijd. Nu toonde hij echter een heel ander gezicht, en pleitte er voor om alle opstandelingen tegen zijn bewind standrechtelijk te executeren. Het recht op een eerlijk proces werd opgeschort en Samuel Adams (ook al zo’n voormalig vrijheidsstrijder) praatte dat recht door te stellen dat revolutie alleen terecht was als je tegen een koning vocht. In een republiek was het verraad, vond hij nu.

Dit doet allemaal sterk denken aan de houding van de EU-gesteunde regering in Griekenland, die met behulp van de oproerpolitie het volk onder de duim houdt. Maar nog veel treffender is de reactie van de Amerikaanse politieke leiding destijds, die verbazingwekkend sterke overeenkomsten vertoont met de houding van de Eurofederalisten ten opzichte van Griekenland.

Zoals we nu in Europa politici hebben die voor een sterkere EU pleiten, zo waren er destijds ook politici die voor een sterkere VS pleitten. En laten dat nu net de mensen zijn geweest die tot de al eerder genoemde kliek van politici-bankiers behoorden! Die grepen de opstand aan om te “bewijzen” dat er een sterke centrale overheid nodig was om de orde en de eenheid te bewaren. De twee grootste proponenten van dat idee waren Alexander Hamilton en James Madison.

De VS hadden vanaf het allereerste begin te maken met een politieke – of zelfs filosofische – tweespalt. Daarin vertegenwoordigde Hamilton de ene kant, en Thomas Jefferson de andere. Hamilton was een man die streefde naar orde, die vreesde voor de excessen van teveel vrijheid, die een samenwerking tussen de financiële wereld en de politiek als zeer wenselijk zag, en die een rijke elite (in Boston en New York) de macht wilde geven. Jefferson was voorstander van vrijheid, die vreesde voor onderdrukking, die walgde van de corrupte samenwerking tussen bankiers en overheden, en die de gewone (boeren)bevolking de macht wilde geven.

Ten tijde van Shays’ Rebellion was Jefferson de Amerikaanse ambassadeur in Frankrijk (nog een verschil: Jefferson wilde samenwerken met Frankrijk, Hamilton met Groot-Brittannië). Toen hij echter van de opstand hoorde, maakte hij zich er geen enkele zorgen over. Hij zag het als het natuurlijke en terechte resultaat van onderdrukking door een corrupte elite, en sprak erover de onsterfelijke woorden “The tree of liberty must be refreshed from time to time with the blood of patriots and tyrants. It is its natural manure.”

Geheel aan de kant van Jefferson stond Patrick Henry, een andere trotse vrijheidsstrijder, die in 1775 (een jaar vóór de onafhankelijkheidsverklaring, die Jefferson zou schrijven) had verklaard nooit te willen leven in ketenen: “Give me liberty or give me death!” Die twee waren het dan ook volstrekt eens over de vraag of de centrale overheid meer macht moest krijgen: beslist niet.

Het verzet van deze zogenaamde Anti-Federalists weerhield de centralisten zoals Hamilton en Madison geenszins. Die waren er op gebrand om de Articles of Confederation af te schaffen, en ze te vervangen met een veel robuustere grondwet. Onder de Articles waren de staten volledig soevereine landen, die alleen (vrijwillig) samenwerkten. Radicale federalisten pleitten ervoor om de VS tot één land te maken, waarin de staten machteloze provincies zouden worden.

Er werd een constitutionele conventie gehouden, waar uiteindelijk een compromis werd gesloten dat er tussenin lag. Antifederalisten vonden dit eigenlijk onacceptabel, omdat de soevereiniteit van de staten daarmee feitelijk werd afgeschaft. Ze behielden wel eigen bevoegdheden, maar de centrale overheid zou het laatste woord krijgen. Ze beseften echter dat ze verloren hadden, en gebruikten de beperkte invloed die ze hadden om te eisen dat er een Bill of Rights werd toegevoegd om de schade ietwat te beperken.

Hamilton en Madison vonden het absurd dat er burgerrechten in de grondwet zouden moeten staan. Hamilton omdat hij dat soort burgerrechten maar lastig vond, en Madison omdat hij een idealist was die geloofde dat de overheid nooit kwaad in de zin zou hebben. Dit doet denken aan de Eurofederalisten van vandaag de dag: een aantal kan het Europese gebrek aan democratie niets schelen, en een aantal wil niet inzien dat het gebrek bestáát.

Ondanks het gemor van Hamilton en Madison was er toch een meerderheid vóór de Bill of Rights, en deze werd toegevoegd. De VS waren van een confederatie van soevereine staten veranderd in een federatie van gebonden staten. George Washington werd de eerste president van de Verenigde Staten (onder de Articles had zo’n functie niet eens bestaan), en Hamilton werd zijn meest prominente minister (van financiën, wat een verrassing!) en voornaamste adviseur. Jefferson werd minister van buitenlandse zaken. Tot niemands verbazing waren Hamilton en Jefferson het over helemaal niets eens.

Ondertussen waren de financiële problemen nog lang niet opgelost, ook al was er nu een sterke regering. De oplossing van Jefferson: meer vrijheid teruggeven aan de staten en ze hun eigen problemen laten oplossen. De oplossing van Hamilton: hogere belastingen invoeren om de overheidsuitgaven te bekostigen, en tevens een sterk leger opbouwen en alle opstand de kop in drukken. Washington luisterde vooral naar Hamilton.

Dit resulteerde in de zogenaamde Whiskey Rebellion, die ontstond toen de overheid een extra belasting op drank invoerde. Jefferson vergeleek dit expliciet met de Boston Tea Party, waarbij een soortgelijke heffing op thee de directe aanleiding voor de Amerikaanse revolutie was geweest. Washington en Hamilton zagen het anders, en Washington marcheerde aan het hoofd van een leger naar de opstandelingen toe en sloeg het verzet aan stukken.

Verdere onenigheid ontstond over financieel beleid. Ik heb die strijd hier beschreven. Kort gezegd: Hamilton wilde dat de federale overheid de schulden van de lidstaten overnam. Wij zouden het een bail-out noemen, maar dan van staten in plaats van grote bedrijven. Exact dezelfde argumenten werden gebruikt die nu voor het “redden” van Griekenland worden ingezet: we zitten nu eenmaal in hetzelfde schuitje, als we het niet doen vallen er ook andere staten om… et cetera, et cetera.

Jefferson zag de bui al hangen: de zuidelijke staten (waaronder zijn eigen Virginia) hadden hun schulden netjes afbetaald, en hun financiën op orde. Zij zouden dus de kosten moeten gaan dragen van het wanbeleid van de bankier-politici in het noordoosten. Wat nog erger was: Hamilton stelde voor om als federale overheid nog meer bij te lenen, en zo een staatsschuld op te bouwen. Jefferson wilde het hebben van een staatsschuld en een begrotingstekort juist verbieden.

Wederom luisterde Washington naar Hamilton, en Jefferson zag zich genoodzaakt om een compromis te sluiten. Dat bleek een vergissing, want Hamilton gebruikte het als springplank om zijn beleid verder op te bouwen. Dit was ongeveer het moment waarop ook Hamiltons eerdere medestander, Madison, besefte wat voor een monster hij had geschapen. Hij had gedacht dat de grondwet de overheid zou inperken, maar steeds meer werd het duidelijk dat Hamilton een “brede interpretatie” toepaste (lees: de wet naast zich neerlegde wanneer het hem goed uitkwam).

Toen Hamilton in strijd met de grondwet een staatsbank oprichtte, was voor Madison de maat vol. In een my-god-what-have-I-done-momentje brak hij permanent met de federalisten, en schaarde hij zich achter Jefferson. Op dat moment was het echter al veel te laat, en steeds meer werden de burgerrechten en fundamentele vrijheden aangetast. Onder druk van Hamilton voerde Washington’s opvolger, president John Adams, de zogenaamde Alien & Sedition Acts door, die er specifiek op waren gericht om Fransen en politieke tegenstanders van Hamilton te kunnen vervolgen.

Het was duidelijk dat Hamilton een pro-Britse politiek voerde (die de VS in een onverklaarde en dus illegale oorlog met Frankrijk verwikkelde). Jefferson en Madison probeerden de Acts ongeldig te laten verklaren, maar het mocht niet baten. Uiteindelijk slaagde Jefferson er in om zelf president te worden, en maakte hij diverse schendingen van de burgerrechten ongedaan. Het was echter te laat om de centrale macht weer af te bouwen, daar de ambtenarij en de rechterlijke macht al bomvol federalisten zaten.

Het resultaat zien we nu: de kliek van politici-bankiers heeft de macht nooit meer opgegeven. Latere presidenten (zoals Andrew Jackson) hebben alles gedaan om de macht van deze elite te bevechten, maar het bleek keer op keer een hopeloze strijd. De VS kampt nu met een staatsschuld van meer dan vijftien duizend miljard dollar, en talloze Amerikanen hebben zich verenigd in protestbewegingen, als een soort moderne Shays’ Rebellion. Ook nu zijn ze helaas kansloos tegen de despotische macht van een federale overheid die heeft zich gelieerd met corrupte bankiers.

President Obama toont zich een moderne Hamilton: bailouts voor de veroorzakers (want dat zijn ook zijn grootste campagnedonateurs), hogere belastingen voor hardwerkende mensen, zo veel mogelijk bijlenen, en de NDAA die de burgerrechten inperkt als ware het een hedendaagse Sedition Act. En is er een moderne Jefferson? Een hedendaagse Patrick Henry? Neen, die vertoont zich niet.

De enige twee die in de buurt komen zijn Ron Paul en Gary Johnson. Die zijn allebei kansloos, en Paul heeft sowieso last van een onoverkomelijke naïviteit waar het buitenlands beleid betreft. Hij wil beslist geen interventionisme in andere landen, ook niet in Iran, waarbij hij zich overigens op Jefferson beroept. (Hij vergeet blijkbaar dat Jefferson de Barbarijse oorlogen voerde in Noord-Afrika, tegen piraten die Amerikaanse schepen aanvielen. Die oorlogen waren trouwens een groot succes – de macht van de piraten werd permanent gebroken.)

Blijft de keuze over tussen Obama en lui als Newt Gingrich en Mitt Romney, die slechts een beetje minder diep in de zak van de gevestigde orde der staatsbankiers zitten. De enige politicus die in de VS de titel van hedendaagse Jefferson zou kunnen dragen lijkt de republikein Paul Ryan, die consequent voor financiële deugdelijkheid pleit. Die geeft echter aan dat hij op dit moment geen presidentiële ambities heeft. Dat is een blijvend probleem: eerlijke mensen hunkeren zelden naar macht, oneerlijke mensen bijna altijd.

En daarmee komen we terug bij Europa, dat dezelfde problemen tegemoet ziet als Amerika twee eeuwen terug. Ook hier zien we de verwoestende effecten van een verwrongen financieel-politieke elite, en ook hier streeft die elite ernaar om de crisis die ze zelf hebben veroorzaakt te gebruiken om hun eigen macht te vergroten.

Er zijn Europese Hamiltons onder ons. Ze heten Barroso, Van Rompuy, Verhofstadt… en ze zijn net zo bedreven in het veroveren van macht als Hamilton zélf dat destijds ook al was. Als ze hun zin krijgen, worden de huidige problemen in de Zuid-Europese staten net zo “opgelost” als de toenmalige problemen in de noordelijke staten van de VS: met grof geweld en méér macht voor het centrale gezag.

Dat zou betekenen dat de noordelijke staten hier net zo geknecht zullen worden als de zuidelijke staten dáár, en dat we waarschijnlijk ook nooit meer aan dat juk zullen ontsnappen. We kunnen er dan op wachten dat wij ook een schuld van duizenden miljarden opbouwen, en dat ook hier wetten zullen ontstaan die ieder verzet met geweld bestrijden.

De Verenigde Staten van Europa: Guy Verhofstadt beschrijft dat toekomstbeeld als een prachtig ideaal. Wie echter goed naar de VS kijkt, ziet dat het tegenovergestelde waar is. Als ze destijds naar Jefferson en Henry hadden geluisterd, als ze een échte oplossing voor de problemen van Shays en de zijnen hadden gevonden, dan waren de VS nu nog steeds een vrijheidslievende confederatie, en hadden ze die absurde staatsschuld niet op hun rug. Wat een man als Verhofstadt bepleit, kortom, is precies was we niet moeten doen.

Toen Hamilton de Alien & Sedition Acts invoerde, pleitte Jefferson er openlijk voor dat de zuidelijke staten zich zouden afscheiden van de Unie, om een nieuwe confederatie te vormen. Hij voorzag dat zes decennia vóór de burgeroorlog al, en hij juichte het toe. Dáár is het voorbeeld dat Noord-Europa nu moet volgen. In Amerika deden ze het niet, en dat heeft ze opgezadeld met een schuld die ze nooit meer kunnen terugbetalen.

Er is – op dit moment – geen moderne Jefferson in de VS. Maar wellicht zal er een opstaan in Europa, die ons alsnog van het heilloze pad van het Eurofederalisme kan afleiden? In Groot-Brittannië is Nigel Farage hard bezig om de burgers te mobiliseren tegen het dreigende Eurofederalisme. Hij is een lichtend voorbeeld voor kritische geesten in alle lidstaten, en hopelijk zullen meer politici in de komende tijd dat voorbeeld volgen.

Het is namelijk nog niet te laat: de noordelijke lidstaten kunnen het advies van Jefferson opvolgen dat de Amerikanen destijds negeerden, en zich afscheiden van de EU. Het federalisme is in de VS geprobeerd, en het heeft gefaald op alle fronten. Als Europa het beter wil doen, moeten we die fouten niet herhalen, maar ons heil zoeken in het veel verstandigere antifederalisme.

Deze weg is niet gemakkelijk, en de federalisten zullen alles doen om een dergelijke gang naar vrijheid te dwarsbomen, maar de strijd zal de moeite waard zijn. Gezien de ontwikkelingen binnen de EU is het ook niet meer ondenkbaar. Hoe zo’n Noord-Europese Confederatie tot stand kan komen en zou kunnen functioneren heb ik hier en hier al eens beschreven. Het is mogelijk, als we er naar streven.

Het enige dat we hoeven te doen, is onszelf enkele eenvoudige vragen stellen: wat vinden we belangrijker, vrijheid of orde? Wie moet de macht hebben, de burger of een elite? Waar moet die macht liggen, in ons eigen land of bij een centrale Europese regering?

Aan de hand van het bovenstaande zal niemand hoeven raden naar mijn voorkeuren. De antwoorden zijn ons al gegeven door de ware voorvechters van de Amerikaanse vrijheid, en hoewel hun visie is verkwanseld door Hamilton en zijn vele opvolgers, kunnen we in Europa hun woorden nog ter harte nemen:

“They who can give up essential liberty to obtain a little temporary safety, deserve neither liberty nor safety.”
– Benjamin Franklin (1775)

“I sincerely believe that banking establishments are more dangerous than standing armies; and that the principle of spending money to be paid by posterity, under the name of funding, is but swindling futurity on a large scale.”
– Thomas Jefferson (1816)

“Each state retains its sovereignty, freedom, and independence, and every Power, Jurisdiction, and right, which is not by this confederation expressly delegated to the United States, in Congress assembled.”
– Articles of Confederation, tweede artikel (1781)

4 opmerkingen:

  1. Zeer raak. Toch helaas de tijd ver vooruit. Maar goed, ik heb nog even :)

    BeantwoordenVerwijderen
  2. http://www.amsterdampost.nl/fundamenteel-stuk-over-%E2%80%9Ceuropa%E2%80%9D-door-vergelijking-met-amerikaanse-geschiedenis/#comment-60464

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Absoluut mijn idee. Alleen de historie van de VS op deze manier kende ik nog niet. Maar de ESM en de malloten in Brussel zijn een zeer groot gevaar. Farage waarschuwt daar al jaren voor, en niet onterecht.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Nog even: volgens mij gaat de ESM nog wel een graadje verder dan wat in de VS gebeurde: ongekozen, onaantastbaar, geheimhouding en ongelimiteerde macht om geld van lidstaten los te krijgen.

    BeantwoordenVerwijderen