woensdag 10 augustus 2011

De Amerikaanse vrijheid: verdronken in een schuldenput?

I wish it were possible to obtain a single amendment to our Constitution. I would be willing to depend on that alone for the reduction of the administration of our government to the genuine principles of its Constitution; I mean an additional article, taking from the federal government the power of borrowing.”

– Thomas Jefferson, in een brief aan John Taylor, 26 November 1798


De Verenigde Staten van Amerika zijn verwikkeld in een fel debat tussen klaarblijkelijk onverzoenbare partijen. Aan de ene hand hebben we de voorstanders van een grote overheid, met veel taken en verantwoordelijkheden. Zij willen dat de federale overheid geld kan lenen om dat alles te financieren, en zien ook verhoging van de belastingen wel zitten.

Hier recht tegenover vinden we de pleitbezorgers van de kleine staat, die zich tot de kerntaken beperkt. Zij willen koste wat het kost de wet tegenhouden die de overheid toestaat om verdere schulden aan te gaan. Tevens willen zij niet de belastingen verhogen, maar juist de uitgaven drastisch verlagen.

Het jaar was 1790, en de Federalisten van Alexander Hamilton stonden lijnrecht tegenover de Anti-Federalisten van Thomas Jefferson. De dertien staten hadden zich enkele jaren eerder vrijgevochten van onder het Britse juk vandaan, en dat had flink wat geld gekost. De staatsschuld was opgelopen tot 63 miljoen dollar: 38 miljoen schuld van de federale overheid, en 27 miljoen schuld van de individuele staten.

Hamilton, de minister van Financiën, stelde destijds voor dat de federale overheid de schulden van de staten overnam, en staatsobligaties ging verkopen om deze eerste schulden af te betalen. Dan zou er zo snel mogelijk méér geld geleend moeten worden, om flink veel geld beschikbaar te krijgen voor de overheid. Daarnaast zouden er hoge importtarieven moeten komen, om de eigen economie te beschermen. Met de opbrengst van dit alles kon de Amerikaanse industrie dan door de staat gesubsidieerd worden, en een machtig leger opgezet worden.

Jefferson had voor deze megalomanie geen goed woord over. Als de federale overheid de schulden van de staten overnam, zou dat betekenen dat de schulden over alle Amerikanen verdeeld zouden worden. De staten die al veel hadden afbetaald (waaronder Jeffersons eigen Virginia) zouden opdraaien voor de schuld van staten die nog niets hadden afbetaald.

Erger nog: het zou de staten afhankelijk maken van de federale overheid, die ze dan financieel in de tang zou hebben. En als de federale overheid zich dan ook nog zélf in de schulden zou steken, was dat nog veel erger: “the states will be indebted to a New York banker, who will in turn be indebted to a London moneyshark!”

Naar mate de overheid méér taken op zich zou nemen, zou ook het bedrag dat de staat moest lenen steeds groter worden. De rentelast zou enorm worden, en vereisen dat de belastingen weer verhoogd werden. En die belastingen - dat was óók al doffe ellende! Want protectionisme zou alleen maar de prijzen opdrijven. Een vrije wereldmarkt zou optimale concurrentie garanderen.

Wat wilde die Hamilton eigenlijk met die grote overheid en dat machtige leger? Had hij ook niet al eerder voorgesteld om George Washington tot koning te kronen? (Gelukkig had Washington dat subiet afgewezen, en had hij gekozen voor het bescheiden “mr. president”.) Volgens Jefferson was een leger vooral een instrument van onderdrukking: de burger moest zichzelf kunnen en mogen verdedigen, en krijgsmachten moesten zo klein mogelijk zijn. Hamilton was volgens hem een dictator in spé.

Zo ver is het nooit gekomen. Hamilton stierf op 12 juli 1804 in een duel met Aaron Burr, een andere politieke en persoonlijke tegenstander van hem (hij was namelijk een man die met zijn arrogante houding veel vijanden in het leven riep). In de tussenliggende jaren had hij echter een blijvend stempel op de politiek en de economie van de jonge republiek gedrukt.

In 1791 kwamen Jefferson en Hamilton tot een compromis over de staatsschuld. Jefferson hoopte daarmee de schade te beperken, door éénmalig een concessie te doen. Toen was het hek echter van de dam, en hij erkende het in zijn latere jaren als een kapitale blunder. Hamilton voerde steeds méér van zijn étatistische en centralistische politiek door, en dat effect bleek zelfversterkend. Hoe machtiger de centrale overheid werd, hoe moeilijker het werd om je ertegen te verzetten, en hoe makkelijker de macht nog verder kon worden gecentraliseerd.

De Federalisten wonnen het van de Anti-Federalisten, en de centrale overheid werd steeds machtiger. De schuld en de belastingen liepen ook steeds verder op, en ook de krijgsmacht werd al maar groter en machtiger. Er stonden twee politieke en maatschappelijke visies tegenover elkaar, en het ordelijke pragmatisme won met genadeloze bruutheid van het vrijheidslievende idealisme. Maar idealisten geven nooit op, dus de strijd gaat verder.

We leven nu 220 jaar na het fatale compromis van 1791, en hetzelfde debat is in al haar vurigheid weer opgevlamd. Maar we zien hoe machtig de federalisten zijn, en hoe diep de voetafdruk van hun tirannieke laars in de Amerikaanse ziel is gestampt: zowel Democraten als Republikeinen zijn vóór het lenen van meer geld. De enige politici die het erfgoed van Jefferson bewaken zijn een aantal idealisten die zich scharen onder de banier van de Tea Party - vernoemd naar de gebeurtenis waar de Amerikaanse opstand ooit mee is begonnen. En zelfs in die beweging zitten veel conservatieven die van alles en nog wat willen laten verbieden door een machtige overheid.

Er is in de Tea Party gelukkig ook een vleugel van échte vrijheidsstrijders, en die maken zich nu hard voor de idealen die Jefferson ooit zo krachtig formuleerde. Ze willen géén verhoging van het schuldenplafond, géén verhoging van de belastingen, géén bezettingslegers in Irak en Afghanistan, en géén almachtige staat.

Ze willen lagere uitgaven, meer verantwoordelijkheid voor de burger zelf, een balanced budget en een staatsschuld die netjes afbetaald wordt. Ze zijn verreweg in de minderheid, maar ze hebben gelijk. Net zoals Jefferson dat twee eeuwen geleden al had. De strijd is nu nóg moeilijker, de opportunistische pragmatisten nóg machtiger - maar laten we hopen dat de verdedigers van de vrijheid een overwinning kunnen boeken. Anders is het lot van de VS onzeker.

Jefferson, hun inspirator, schreef de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten. Life, and liberty, and the pursuit of happiness... dat waren zijn woorden, zijn idealen. We kunnen hem met recht de vader van de Amerikaanse vrijheid noemen. En hij waarschuwde tegen aanvallen op die vrijheid, keer op keer. Het lenen van grote geldbedragen door de federale overheid zag hij als een enorme vergissing, die uiteindelijk de vrijheid en onafhankelijkheid van de Amerikaanse burgers zou bedreigen.

Het is zo ver gekomen. Het grootste deel van de Amerikanen is zijn profetische woorden blijkbaar vergeten, en nu dreigt een vrij land te bezwijken onder een schuld die is aangegaan door generatie na generatie van megalomane politici.

Als Hamilton vandaag nog rondliep in Washington, zou hij vast net als Obama pleiten voor extra leningen. Gaten dichten met nog grotere gaten. Twee eeuwen terug dacht hij dat ook al, en daar is de ellende mee begonnen. Zie nu het resultaat. Laten we hopen dat de Amerikanen op tijd in herinnering roepen dat Jefferson ze opriep om dat juist niet te doen, en dat ze dit keer de juiste keuze maken. Anders zal het snel gedaan zijn met wat hen tegenwoordig nog rest van hun vrijheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen