zaterdag 9 juni 2012

De liberalen en het fabeldier

Er is een fabeldier, nog ongrijpbaarder dan de verschrikkelijke sneeuwman. Het is een verschijning die regelmatig opdoemt in politieke discussies, maar die nooit in levende lijve wordt aangetroffen: de zogenaamde neoliberaal.

Zodra er een woordenwisseling ontstaat tussen liberalen en socialisten, en zeker wanneer het gaat over een enigszins economisch onderwerp, is het slechts een kwestie van tijd voordat het fabeldier zijn opwachting maakt. Het is altijd, zonder enige uitzondering, de socialist die ermee komt. Het fabeldier kan op meerdere manieren geïntroduceerd worden, maar het is altijd een beschuldiging. Veelvoorkomende manieren waarop het fabeldier de discussie binnensluipt zijn zinnen als “probleem x is veroorzaakt door neoliberaal beleid”, of een directe aanval in de trant van “wat jij zegt is neoliberale onzin”.

Als vervolgens wordt gevraagd wat dat is, “neoliberaal”, komt er nooit een eenduidige definitie. Soms komen er kenmerken, vaak wordt er gewezen op een “tendens” van de politiek “naar rechts”. Wat daarmee bedoeld wordt, blijft altijd vaag. Maar het is wel altijd negatief. Wie een ander neoliberaal noemt, beschuldigd hem van de politiek-economische variant van zondigheid. Niet een specifieke zonde, maar een soort slechtaardigheid in het algemeen.

Liberalen worden daar wel eens moe van, ondergetekende niet uitgesloten. Zoals Frits Bolkestein ooit eens opmerkte: “Wat zijn dat, neoliberalen? Ik ken er niet één.” Daar raakte hij de spijker op de kop: ik ken ze ook niet, en hoewel ik veel liberalen ken, en er wel eens naar gevraagd heb, heeft geen liberaal die ik ooit sprak zichzelf of enig ander kunnen identificeren als neoliberaal. Het blijft een fabeldier: vaak genoemd, nooit gezien. Waar komt dit sprookje toch vandaan?

De waarheid is dat er ooit wel neoliberalen zijn gewéést… maar die hadden niets tot weinig van doen met het fabeldier waar nu naar wordt verwezen. Om dat uit te leggen, moeten we even terug in de geschiedenis van het liberalisme. Helemaal terug naar het begin, zelfs. Het liberale gedachtegoed is ontstaan in het begin van de achttiende eeuw, voortvloeiend uit de denkbeelden van vroege Verlichtingsdenkers zoals John Locke. Het was een stroming die zich richtte op het idee dat alle mensen vrij en gelijkwaardig geboren waren, en niet door anderen onderdrukt mochten worden. Kortom: het was de politiek-filosofische uitwerking van het Verlichtingsideaal.

Op economisch vlak hield dit in dat liberalen voorstander waren van vrij ondernemerschap (dus tegenstanders van gilden waar mensen verplicht bij moesten horen) en van vrije handel (dus tegenstanders van protectionistische handelsbeperkingen). Liberalen waren verdedigers van vrije mensen en vrije markten. De overheid moest zo klein mogelijk zijn: een nachtwakersstaat die als enige functie zou hebben om de individuele burger te beschermen tegen aanvallen op zijn persoon, zijn eigendommen, of zijn vrijheid.

Dat is, kort gezegd, het streven van het liberalisme. Tegenwoordig heet dat echter klassiek liberalisme. En daartegenover zou dan staan… nieuw liberalisme? Ja, inderdaad: neoliberalisme. Dit woord werd voor het eerst publiekelijk gebruikt in 1938. De econoom



Alexander Rüstow wilde zich ermee afzetten tegen het idee van een geheel vrije markt. In de jaren dertig was overheidsingrijpen in de economie namelijk uiterst populair, vooral onder invloed van de econoom Keynes. Ook nazi-Duitsland en de Sovjetunie zagen staatsingrijpen in de economie als zeer deugdelijk.

In die tijdsgeest van gereguleerde markten en geplande economie wilde Rüstow het liberalisme losweken van het idee dat ondernemers vrij zouden moeten mogen handelen. Hij streefde naar een tussenweg, die op economisch vlak het socialisme en het liberalisme zou combineren. Voor de originele liberalen was dit een klap in het gezicht: het liberalisme stoelt tenslotte op het feit dat ieder mens vrij is om te doen wat hij wil zolang hij geen schade toebrengt aan andere personen, hun eigendommen, of hun vrijheid. Ondernemers zijn óók mensen, dus zij hebben recht op diezelfde vrijheid.

Rüstow vond van niet, en daarmee was het zogenaamde neoliberalisme geboren. Is dat nu waar de socialisten zich zo fel tegen verzetten? Nou, nee. De term neoliberalisme is namelijk in onbruik geraakt sinds de jaren dertig en veertig. Tegenwoordig heet het streven naar een “derde weg” tussen vrijheid en dwang in geen neoliberalisme meer, maar “sociaal-liberalisme” of “links-liberalisme”. Ook veel sociaaldemocraten zijn voorstanders van de zogenaamde derde weg, en tussen sociaal-liberalen en sociaaldemocraten bestaat in de praktijk eigenlijk weinig onderscheid meer. Het zijn geen liberalen en het zijn geen socialisten: het is een middengroep die zich op pragmatisme richt en geen ideologisch fundament meer heeft. Eén ding staat vast: ze noemen zich géén neoliberalen meer.

Het was pas in de jaren tachtig dat die term weer terugkwam, en wel in Chili. Daar voerde de dictator Pinochet een zeer klassiek-liberaal economisch beleid, gecombineerd met een uiterst reactionair en anti-liberaal beleid op ieder ander terrein. Er is vrijwel niemand die Pinochet liberaal zou noemen, behalve zijn socialistische vijanden. Die grepen meteen de kans om de wandaden van Pinochet toe te schrijven aan het hele liberalisme (om deze stroming zwart te maken), en gaven hier ook meteen een naam aan. U raadt het al: neoliberalisme.

Dat die term eigenlijk al iets heel anders betekende wisten ze blijkbaar niet, of het kon ze gewoon niet schelen. Ze konden Pinochet natuurlijk ook geen klassiek-liberaal noemen: die stroming streeft naar vrijheid op elk gebied, en daar had de reactionaire Pinochet duidelijk niets mee op. Daarmee werd “neoliberaal” de gekozen term. Een soort politiek scheldwoord, dat geen definitie had, maar zoveel betekende als “het streven naar een vrije markt door een kwaadaardig persoon”.

Dit politieke scheldwoord is vervolgens overgenomen door socialisten over de hele wereld, die het toepasten op iedereen die streefde naar minder overheidsinmenging in de economie, waardoor de definitie van het woord min of meer is veranderd in “het streven naar een vrije markt, hetgeen vanzelfsprekend slecht is”. Het slaat op Thatcher, het slaat op Reagan, het slaat op Lubbers, maar ook op Kok, ook op Blair. Zelfs Clinton wordt er van beschuldigd. “Neoliberaal” is een term die uitsluitend wordt gebruikt door mensen die overheidsinmenging in de economie nastreven, en het wordt gebruikt om iedereen aan te duiden die méér economische vrijheid wenst dan degene die het woord gebruikt.

Daarom is er geen definitie. Een “neoliberaal” is iedereen die economisch rechtser is dan degene die een ander zo noemt. En degene die een ander zo noemt is altijd een pleitbezorger van overheidsinterventie, dus degene die hij zo noemt is altijd slecht (in zijn ogen). Het is een term zonder betekenis, het is een woord dat enkel bestaat om een schrikbeeld van “de vijand” op te roepen. De neoliberaal is de verschrikkelijke sneeuwman van het politiek-economische debat: hij bestaat niet, maar er zijn altijd lui die er wéér mee aan komen zetten. Ze weten niet dat ze leuren met een fabeldier. Of wellicht willen ze het niet weten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen